Het verhaal van Peter Drenth opgetekend door Karel ten Haaf

In de geest van Oktober



Geschreven: 1999
Bron: In de geest van Oktober, Uitgeverij Passage Groningen 1999
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, oktober 2008

Laatste bewerking: 31 oktober 2008


Zie ook:
De wording van het communisme in Nederland 1907-1925
Tegen fascisme, kapitalisme en oorlog
Teksten van Sneevliet

Inhoudsopgave


Inleiding

Jeugd

Aan het werk

Wilde staking

Communistische jeugdbeweging

Op kamers

Vakbondsperikelen

Fusie

De ziekte van de armoe

Burgeroorlog in Spanje

Nieuwsgierig

Terug naar Groningen

Den Haag

De Groep van Bolsjewieken-Leninisten

Het Marx-Lenin-Luxemburg-Front

Stakingsleider in Duitsland

Onderduikers

Het Comité van Revolutionaire Marxisten

Aardappels rooien

Isoleerder

Opgepakt

Tegen annexatie

De Revolutionair Communistische Partij

De Eenheidsvakcentrale

Districtsbestuurder?

Medanstraat

Indonesië

Bureau Berenschot

Gemeten tijden

Het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties

Lid van de Partij van de Arbeid

Het Nederlands Verbond van Vakverenigingen

In de raad

Herman in Den Haag

Ban de bom

Nieuw Links

Naar De Jong

Klachtencommissie sociale dienst

Commissie stadsbezittingen

De periode Gietema

De Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen

Taboe

Familie

Ereburger van Groningen

Een socialistische toekomst

Lijst van geraadpleegde literatuur

Lijst van afkortingen

Links, links, links en links...,
De arbeidersklasse marcheert!
Links, links, links en links...,
Geen macht op de aard’ die haar keert!
Wij willen geen reformistisch beleid,
Maar wij, wij zingen van klassenstrijd
Op een vurige melodie.
Wij vechten voor vrouw en voor kind en voor U,
Wij willen het socialisme NU, Wij dulden geen bourgeoisie.
(eerste couplet van het RSAP-lied)

De tekst van dit boek werd gebaseerd op gesprekken die ik met Peter Drenth voerde in de periode januari 1992-augustus 1999, alsmede op literatuurstudie. Dank aan Peter Drenth, voor zijn geduld. Dank ook aan de eerste lezers: Ron Blom, Tjeerd Bruinja, Marianne Mantel, Anton Scheepstra en Rianne Wubs. En dank aan Hans Hollestelle, Jan Klug, Frank Lucas en Albertina Soepboer voor het leveren van hand- en spandiensten.

Het schrijven van dit boek werd mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de ‘Stichting 100 jaar sociaaldemocratie in Groningen’.

De foto’s in dit boek zijn afkomstig uit het archief van Peter Drenth, tenzij dat anders wordt vermeld.

Kaft van het boek

Foto voorplat: Fusiecongres OSP
en RSP, 1935
(collectie IISG, Amsterdam).


Inleiding

In het najaar van 1982 sloot ik mij aan bij de Internationale Kommunisten Bond (IKB). Ik besloot hiertoe naar aanleiding van een terugkerende zin in het IKB-verkiezingsprogramma voor de Kamerverkiezingen van mei 1981: ‘nationalisatie zonder schadevergoeding en onder arbeiderscontrole.’ Dat ‘zonder schadevergoeding’ gaf voor mij de doorslag.

De IKB bleek de Nederlandse sectie te zijn van de Vierde Internationale, een veelal als trotskistisch aangeduide organisatie. Even snel door de geschiedenis om duidelijk te maken wat trotskisme inhoudt.

In 1864 werd de Internationale Arbeiders Associatie opgericht. Deze organisatie is bekender onder de naam Eerste Internationale. De onoverbrugbare verschillen tussen marxisten en anarchisten leidden tot de ondergang van deze Internationale.

Daarop werd in 1889 de Sociaaldemocratische of Tweede Internationale opgericht. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog stemden de meeste sociaaldemocratische partijen vóór de nationale defensiebegroting en dus tegen het ‘proletariërs aller landen verenigt u!’

De minderheid van organisaties en personen die ertegen was dat arbeiders uit verschillende landen op elkaar gingen schieten ter verdediging van de onderscheiden belangen van hun uitbuiters, richtte in 1919 de Communistische of Derde Internationale op, ook bekend onder de naam Komintern. Nadat Stalin in Rusland de macht naar zich toe had getrokken, verwerd de Derde Internationale steeds meer tot een instrument in handen van Stalin: de verschillende communistische partijen werden geacht zich te schikken naar de directieven van Stalin, en alles ondergeschikt te maken aan het ondersteunen van de Sovjet-Unie. Binnen de Komintern ontstond onder leiding van Trotski, de rechterhand van Lenin tijdens de Oktoberrevolutie van 1917, de Internationale Linkse Oppositie. Eén van de belangrijkste geschilpunten tussen Stalin en Trotski was Stalins doctrine van ‘het socialisme in één land.’ Trotski was van mening dat het socialisme alleen op wereldschaal kon overwinnen, en dat de Sovjet-Unie slechts kon overleven als de revolutie internationaal door zou zetten: de Sovjet-Unie moest zich dus juist dienstbaar maken aan de verschillende nationale communistische partijen, in plaats van andersom. Verder was er een groot verschil van mening tussen Stalin en Trotski over de wijze waarop het fascisme en nationaalsocialisme de pas moest worden afgesneden. Trotski was voor een eenheidsfront van communisten en sociaaldemocraten — hij schreef hierover de brochure ‘De enige weg.’ Stalin bestempelde de sociaaldemocraten als sociaalfascisten en weigerde iedere samenwerking. Nadat mede dankzij deze rampzalige politiek van Stalin de nationaalsocialisten aan de macht waren gekomen in Duitsland, besloten Trotski en zijn medestanders over te gaan tot het oprichten van een Vierde Internationale — zij zagen de Komintern als reddeloos verloren.

Na een aantal jaren voorbereiding werd in 1938 de Vierde Internationale opgericht. Deze ‘trotskistische’ Internationale bestaat nog steeds en heeft afdelingen in tientallen landen over de gehele wereld, waaronder Nederland.

Nadat ik mij had aangesloten bij de Nederlandse sectie van de Vierde Internationale, de IKB — die enkele jaren later zijn naam veranderde in Socialistische Arbeiderspartij (SAP), een organisatie waarvan ik tot op de dag van vandaag lid ben — ging ik mij niet alleen verdiepen in de theorie van het marxisme, maar ook in de geschiedenis van het revolutionair-socialisme of trotskisme in Nederland. In het door Wim Bot geschreven boek ‘Generaals zonder troepen’ over het illegale trotskistische Comité van Revolutionaire Marxisten dat werd opgericht in de zomer van 1942 en bestond tot mei 1945 toen het zich omvormde tot Revolutionair Communistische Partij, las ik de volgende zin: ‘Peter Drenth uit Groningen was betrokken bij een korte staking in Bremerhaven’ (p. 45). Dit zinnetje liet mij niet meer los, en ik besloot op zoek te gaan naar Peter Drenth. Ik vond hem — hij woonde nog steeds in Groningen — bezocht samen met hem de Sneevlietherdenking in 1992 en vroeg hem telkens weer het hemd van het lijf. Peter Drenth bleek een begenadigd verteller met een uitstekend geheugen. Ik schreef zijn verhaal op en controleerde de feiten — eventuele fouten komen dus geheel voor mijn rekening. Het resultaat van onze gezamenlijke inspanningen is dit boek: het geautoriseerde levensverhaal van Peter Drenth, een man die zijn hele leven in de contramine is geweest; die zijn hele leven gestreden heeft voor een betere wereld. Een man om een voorbeeld aan te nemen.

Karel ten Haaf
Groningen, 8 augustus 1999

Jeugd

Ik ben in Duitsland geboren, in Haste, een klein dorpje in de buurt van Osnabrück, op 31 maart 1913. Mijn moeder was Duitse. Emma Kloppel was haar meisjesnaam.

Wij waren met vier kinderen thuis. Ludwig, mijn oudste broer, een meubelmaker, is na de tweede wereldoorlog naar Australië geëmigreerd. Hij is in 1905 of zoiets geboren. Dat weet ik niet precies, want ik denk dat mijn ouders ‘moesten trouwen’ — zo heette dat toen — dat mijn moeder zwanger was vóór het huwelijk. Dat wilden ze verdoezelen, denk ik: ze hebben er nooit over gepraat, maar in hun trouwboekje was gekrast. Daar stond in dat Ludwig van 1906 was, maar dat klopte niet met zijn leeftijd. Ik meen dat hij in werkelijkheid ongeveer één jaar ouder was dan volgens dat trouwboekje. Na Ludwig kwam mijn zuster, Malie; die is net als Ludwig inmiddels overleden. Amalia heette ze, maar we zeiden altijd Malie. Dan kwam ik, en dan kwam Herman. Herman was de jongste, die is op een maand na drie jaar jonger dan ik — hij is geboren op 23 februari 1916. Tussen Malie en mij was een afstand van ongeveer vijf jaar, daartussenin was een meisje geweest, dat was jong gestorven.

In dat huis bij Osnabrück hadden we één slaapkamer, daar stonden twee ledikanten. In het ene sliep mijn moeder met Malie en met Herman, dat was nog een klein kind; in het andere sliepen mijn vader, Ludwig en ik. Dat deden mijn ouders alleen omdat ze geen kinderen meer wilden hebben. Voorbehoedmiddelen waren er niet, dus moest er een scheiding komen — en op deze manier waren er kinderen bij in bed, dus: geen flauwekul. Kun je nagaan wat een vreselijk armoedige toestand dat geweest is.

Het was daar echt verschrikkelijk slecht, na de eerste wereldoorlog. Als mijn vader vrij was, in de zomer, dan gingen we paddenstoelen zoeken, en bosbessen, eikels, beukennootjes, bramen, brandnetels, echt van alles. Die eikels bracht mijn moeder naar de boer, dat was voer voor de varkens, en daar kreeg ze een stukje spek voor. De beukennootjes gingen naar de oliemolen — vroeger had je nog van die molens die dat uitpersten voor olie, voor huishoudelijk gebruik — en dan kreeg mijn moeder een klein beetje olie.

Het was zo slecht, er was een vreselijke hongersnood, dat mijn vader ontslag genomen heeft. Hij is naar Groningen gegaan en heeft hier werk gezocht. In Duitsland werkte hij op dat moment bij een metaalfabriek, maar hij heeft van alles uitgevreten; hij is ook havenarbeider geweest, en hij heeft op een papierfabriek gewerkt. Mijn vader — Pieter Willem — was lid van de Spartacusbond, de communistische partij waar ook Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht bij zaten. Toen mijn vader in de haven van Emden werkte, brak daar een staking uit en werd hij naar Groningen gestuurd om te proberen onderkruipers tegen te houden; de bazen probeerden allemaal mensen te ronselen. Hij kwam hier dus bij de vakbeweging terecht, bij het Nationaal Arbeids Secretariaat, het NAS — een revolutionair-socialistische vakbond. Het NAS organiseerde vooral havenarbeiders en dat soort groepen. Maar op het moment dat hij weer terugkwam in Emden hadden ze de staking natuurlijk verloren, want het waren allemaal plaatselijke vakbewegingen; er werden acties gevoerd per bedrijf, niet per bedrijfstak, dus erg sterk stonden de arbeiders niet. Overal waar mijn vader aan het werk kwam probeerde hij een vakbond op te richten. Er was zoveel ongerechtigheid dat wanneer die arbeiders eenmaal in zo’n bond zaten, dan stelden ze onmiddellijk eisen. En daar werd niet aan voldaan, dat begreep geen enkele van die werkgevers: ze vonden het onvoorstelbaar wat die arbeiders durfden te vragen. Dat was nog in de vorige eeuw. Mijn vader is in 1872 geboren.

In 1920 zijn we hier naar Groningen gegaan. We kregen een woning op de Gideon, dat was een buurtschap, dat bestaat niet meer. Je had daar drie scheepswerven naast elkaar: Koster, Wilmink en Drewes. De eerste woningen van de Gideon werden gebouwd voor de arbeiders die daar werkten. Er woonden dan ook praktisch allemaal hellingwerkers. Die woningen werden afgewerkt met een betonnen vloer, dat was alles; een betonnen vloer en verder niks. Daar hebben we gewoond tot we in 1927 een woning in de stad kregen, in de Oosterpoort. Eerst gingen we naar de Annastraat, daarna naar de Meeuwerderweg, en daarvandaan zijn we in 1931 verhuisd naar de Begoniastraat in het Oosterpark.

De Gideon lag een eind buiten de stad, aan het oude Winschoterdiep. Die weg is er niet meer, want waar het oude Winschoterdiep was dat is later omgeleid. Het was ongeveer waar nu de vuilnisbelt De Stainkoeln is. Vijfhonderd meter dichter naar de stad, daar waren die woningblokken. Daarvandaan moest ik lopend naar school.

Het eerste half jaar ging ik niet naar school, maar moest ik bij huis blijven om de taal wat te leren, door te spelen met de andere jongens uit de buurt. Zodra ik het Nederlands voldoende beheerste ben ik naar school gegaan, een openbare school, die was aan de Radesingel, in dat gebouw naast de kerk — daar zit nu de afdeling lichte muziek van het conservatorium.

In de eerste klas kwam ik in aanmerking voor schoolkleding: de kinderen van wie de ouders het niet betalen konden, die hadden de mogelijkheid op school kleding te krijgen. Dat kwam van het armenbestuur — wat men nu sociale dienst noemt, zeg maar. Dan kregen ze om de zoveel tijd een manchester broekje tot op de knie, zwarte lange kousen, een grijs buisje en een paar klompen. Je kon precies zien: dat is schoolkleding, van de armen zeg maar. Dat was afschuwelijk voor de kinderen die daarin liepen: ze waren duidelijk herkenbaar, getekend als armen. Mijn vader wilde dat per se niet; hij was daar te trots voor. Dus ik heb nooit schoolkleding gedragen.

Ook was er schooleten in die tijd, dat kwam van de Weeva — woon-en eethuis voor allen. De Weeva was opgezet door de gemeente, daar konden daklozen logeren, en je kon er eten voor een dubbeltje. Slapen kostte een dubbeltje of vijftien cent. In de keuken van de Weeva werd het schooleten klaargemaakt — dat kwam in van die grote gamellen. Dat eten werd tussen de middag uitgedeeld.

Van negen tot twaalf en van twee tot vier was er les; tussen twaalf en twee ging de school dicht en liepen de kinderen die van de Gideon kwamen dus op straat, met een stukje brood. Je liep daar soms in de stromende regen, of als het sneeuwde of vroor. Er woonden bij ons in de straat ook kinderen die op een christelijke school zaten, en die mochten hun boterhammetjes opeten in de school. Mijn moeder hoorde dat en zei: “Naar de christelijke school.” Dus ben ik naar de christelijke school gegaan. Voor ’s ochtends vroeg de lessen begonnen, gingen ze eerst bidden. Ik heb mij daar altijd over verwonderd, ik vroeg me af: wat stelt die flauwekul in godsnaam voor? Ik begreep daar absoluut niks van. Dat had al geen invloed meer op mij.

Ik weet nog wel, ik zat in de vierde klas, en ik ging ’s morgens op weg naar school. Het was 1 mei, en in die tijd ging de Arbeiders Jeugd Centrale, de AJC, op 1 mei altijd heel vroeg de arbeiderswijken in. De AJC, dat was de jeugdbeweging van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. Ze liepen in een optocht door de straten, met vaandels en met mandolines, ze zongen erbij, en ze hadden allemaal van die bonte vlaggen. Ik vond het prachtig, ik liep er vol bewondering naast. Een meisje van een jaar of zestien vroeg me: “Vind je het mooi?”

Ik zeg: “Ja, ik vind het prachtig.” Ze gaf me een hand en ik ben meegelopen, ik heb helemaal niet meer aan die school gedacht. We gingen in optocht naar het Stadspark, daar was een groot feest. Daar dansten ze rond de meiboom — dat was zo’n boom met allemaal linten eraan, daar dansten ze dan omheen met volksdanspasjes — en ’s middags was er een spreker. Ik vond het prachtig: al die kleuren, al die vlaggen. Ik begreep er verder nog geen barst van, ik vond het gewoon een leuk feest. Alles was zo grauw in die tijd, ook de kleuren. En ze liepen daar met vrolijk gekleurde blouses aan; en dan die vriendelijke mandolinemuziek, dat getokkel — dat was toch allemaal heel plezierig. Dus ik vond dat prachtig.

De volgende morgen kwam ik op school, en de meester vroeg: “Waar was je gisteren?”

“Ik ben naar het Stadspark geweest. Daar was een heel groot feest.” “Dat is van de rooien,” zei hij tegen mij.

Ik zeg: “Daar weet ik niks van. Ik vond het mooi.” Toen heb ik een brief meegekregen voor mijn ouders, of ze wel wisten dat hun zoon op een feest van de rooien was geweest.

Mijn vader las dat, keek me eens aan, en zei: “Ik heb je niet gezien.” Hij was er ook geweest. Dus hij schreef een briefje terug dat het begrijpelijk was dat als de vader naar zo’n feest ging, dat zoonlief daar ook bij was. Klaar. Nooit meer wat van gehoord. Afijn, dat was het begin.

Na de lagere school kon ik met mijn studie beginnen. Er waren bij mij in de klas vier kinderen die in aanmerking kwamen voor een studiebeurs, en ik was daar één van. Maar mijn vader was niet alleen rood, hij was ook vreselijk conservatief. Hij zegt: “Als ze een witte boord om hebben, dan kijken ze hun ouders niet meer aan. Je kan een goed vak leren — naar de ambachtsschool.” Zodoende ben ik timmerman geworden.

Ik heb drie jaar op de ambachtsschool gezeten. Daar moest ik lopend heen. Die school was een eind weg, want die zat in de Petrus Hendrikszoonstraat. Bij ons in de Gideon, in dezelfde straat, één blokje verder — er waren drie van die blokken — woonde een jongen die ook op de ambachtsschool zat. Hij kreeg op een gegeven moment een nieuwe fiets, dus ging hij op de fiets naar school, en hij reed me altijd pralend voorbij. Daar had ik goed de pest in.

Het was bij ons thuis een behoorlijke armoede. Mijn vader kwam bij Kunst aan het werk, en daar brak een staking uit, onder de mensen die bij de houtstekken werkten. Hier in Groningen had je een stuk of vijf grote houtstekken — tegenwoordig zouden ze dat houthandels noemen. Schepen met hout kwamen bij Delfzijl binnen en die werden direct bij die houtstekken gelost. Dat waren dus allemaal havenarbeiders, dat waren allemaal NAS-mensen. Mijn vader zat in het bestuur van de bond, en hij bemoeide zich ermee. Maar zodra de staking afgelopen was, werd hij uitgesloten, kwam hij niet meer aan werk. Dat overkwam een paar bestuursleden.

Hij is een hele tijd werkloos geweest, hij moest elke dag naar de stad om te stempelen. Mijn moeder heeft nog een tijdje bijverdiend met aardappels rooien, bij een boer daar in de huurt, in Engelbert. De hele dag over het land kruipen om aardappels te rooien. Ja, dat was échte armoe.

Op een bepaald moment kochten mijn ouders een tweedehands fietsje. Dat was een damesfiets, met wat ze een ‘bokkestuur’ noemden — ze hadden in die tijd allemaal van die rechte sturen, maar dit was zo’n gebogen stuur. Later werd dat modern, toen was dat alleen voor dames. Maar ik was allang blij dat ik tenminste fietsen kon.

Mijn vader was dus werkloos, en ik ging vaak met hem op stap. Paddenstoelen zoeken. We woonden inmiddels in de Begoniastraat, in het Oosterpark — dat heette nog Plan Oost trouwens. We gingen op de fiets richting Norg, en dan plukten we weidechampignons. Dat is een heerlijke paddenstoel, veel lekkerder dan van die gekweekte paddenstoelen. Weidechampignons en cantharellen — je had nog ontzaglijk veel cantharellen. Ik heb het paddenstoelen zoeken dus geleerd van mijn vader, die wees mij de weg. Eerst plukte ik alles. Dan liet mijn vader me met het boekje in de hand zien: “Kijk, die kan niet, die is niet lekker.” Want er zijn niet zoveel giftige paddenstoelen, er zijn er wel veel die niet smaken. Er zijn in Nederland hooguit vijf echt giftige paddenstoelen, meer niet.

Na een lange periode van werkloosheid is mijn vader uiteindelijk grondwerker geworden. Dat beroep bestaat niet meer — dat werk wordt nu allemaal door machines gedaan. Een grondwerker deed alles wat met grond te maken had: kanalen graven, vijvers graven — alles gebeurde met de hand.

Aan het werk

Ik ben drie jaar op de ambachtsschool geweest; op mijn vijftiende, ik was nog net geen zestien jaar, kwam ik van school — dat was in 1929, in Amerika brak net de crisis uit. Maar ik kon toch direct aan het werk komen. Als leerling-timmerman heb ik hier en daar wat gewerkt. Ik heb een tijd bij Fongers gewerkt, Fongers had een eigen werkplaatsje met een paar timmerlui, een loodgieter en een schilder. Daar ben ik een tijd geweest als leerling. Fongers leverde in die tijd veel fietsen aan Indië; de kratten kwamen leeg terug en die moesten wij daar repareren en met schuurpapier opschuren, dat ze weer netjes wit waren, dan konden de volgende fietsen er in — er gingen meestal drie fietsen in een krat. Verder moesten we de gebouwen onderhouden, en Fongers was een groot bedrijf. Je had de Fongersgarage, de rijwielschool, de fietsenfabriek, en dat moest allemaal onderhouden worden. Dat is inmiddels allemaal weg — bij wat nu de Fongersplaats heet, stond de fabriek. Alleen het voorste gedeelte is behouden gebleven; dat was de rijwielschool, daar konden ze leren fietsen.

Toen dat afgelopen was ben ik anderhalf jaar bij Boon en Gamers geweest; een klein timmerfabriekje in Helpman. Dat was geen lopende bandwerk, op die fabriek maakten we alles nog met de hand. Nou ja, er stonden natuurlijk wel machines. We hebben daar bijvoorbeeld duizend schoolbanken voor de gemeente gemaakt. Trappen maakten we daar ook, voor de nieuwbouw. Daar heb ik het trappenmakersvak geleerd; want het is een apart vak, trappenmaken. Nadat ik ontslag gekregen had ben ik bij een groter bedrijf geweest — die had je heel weinig in de bouw. Iemand die een blokje van ongeveer vijfentwintig woningen neerzette en daar een man of dertig aan het werk had, dat was een redelijk grote baas. Veel van die burgerbaasjes hadden maar twee of drie mensen aan het werk, en een leerjongen. Ten Wolde, in de Havenstraat, was zo’n bedrijfje. Ik heb daar een tijdje gewerkt, tot ik ruzie kreeg met de baas. Ik had een trechter van hem gebruikt, en die was de dag daarna weg. Hij wist wel dat ik een fanatiek bondslid was, dus hij zegt: “Als je hem kapotgemaakt had, dan was het voor mijn rekening geweest. Maar nou hij weg is, kún je hem gestolen hebben, dus moet ik een gulden aftrekken van je loon.” Daar nam ik geen genoegen mee, daarover kreeg ik ruzie met hem. Op een bepaald moment haalde hij uit, wilde hij me een klap geven; en ik dook voorover, gaf hem met mijn hoofd een kopstoot. Hij stond tegen de trapleuning, en hij duikelde over die leuning naar beneden, hij rolde die trap af. Ik had meteen ontslag natuurlijk. Maar ja, ik liet me toch niet slaan.

Later, in ’34 was dat denk ik, kreeg ik werk bij een klein baasje. Bij Van der Goot, die was lid van de Doopsgezinde gemeente. Een hele aardige man. Het klikte meteen tussen ons beiden; we waren net vader en zoon, zeg maar. Dat was heel plezierig. Als hij geen werk meer had, gaf hij me geen ontslag. Hij zei: “Maak maar een naaiboxje voor een tante van mij, die is gauw jarig. Misschien komt er van de week wel een telefoontje voor werk.”

Als er dan geen telefoontje kwam, dan zei ik: “Nou, ik kom maandag maar niet terug.” Want hij kon me niet ontslaan, dat vond hij vreselijk.

Hij zei: “Zo gauw ik werk heb haal ik je er weer bij.” Dat wist ik ook wel. Dat is een paar jaar zo gegaan: als hij werk had, dan werkte ik bij hem.

Wilde staking

In ’29 ben ik dus van de ambachtsschool gekomen, en kon ik ondanks het uitbreken van de crisis direct aan het werk komen; maar in ’31, ik was achttien jaar, werd dat al minder. Ik woonde bij mijn ouders, en mijn vader was werkloos. Wanneer ik werk had dan kreeg hij niks, dan moest hij van mijn loontje leven. Als ik werkloos werd, dan zat mijn vader een week later in de werkverschaffing: werklozen werden door de overheid verplicht om buiten het normale productieproces om te werken voor hun uitkering — ze bleven wel geregistreerd als werkloze. Die werkverschaffing was in Jipsinghuizen, in Westerwolde. Dat was berucht vanwege de ellendige omstandigheden die daar heersten. Bovendien verdienden ze daar vreselijk slecht: ze kregen zoveel cent voor een kuub ijzerhoudende grond. Dat is van die donkerbruine grond en die is keihard, met pikhouwelen sloegen ze dat kapot. Dus ze konden geen cent verdienen. Een laag van zo’n anderhalve meter moest eraf. Al die landerijen die daar nu in Westerwolde zijn, die zijn allemaal dankzij de werkverschaffing ontstaan.

In januari 1932 brak er een wilde staking uit. Heel Westerwolde liep leeg, liep naar huis. Mijn vader ook, zo weer terug van het werk. Voor die avond was er door de CPH een grote protestdemonstratie uitgeroepen, hier in de stad Groningen. Mijn vader liep daar ook in mee. Die demonstratie ging een beetje met geweld gepaard, want er waren natuurlijk zoals altijd verkeerde elementen bij — die gooiden ruiten in bij C&A, en er braken vechtpartijen uit. De dag daarop werd de staat van beleg afgekondigd in de stad. Mocht je met maximaal drie mensen bij elkaar zijn.

We kregen een discussie thuis — we hadden thuis altijd felle discussies over politiek. Ik was inmiddels redelijk politiek geschoold, vooral dankzij het lezen van de brochures van Herman Gorter. Daarin legde hij heel duidelijk uit, in eenvoudige woorden, wat belangrijke marxistische begrippen inhouden, zoals bijvoorbeeld het historisch materialisme. We kregen dus een discussie, want ik vond dat als wij in een demonstratie van de CPH hadden meegelopen, dat we dan ook naar die partij moesten stappen. Mijn vader was het niet met me eens. Hij was actief in de linkervleugel van de SDAP, en die was al bezig zich te roeren. Je had twee groepen — rond het blad De Fakkel en rond het blad De Socialist. Uiteindelijk hebben ze zich samengevoegd rond De Fakkel, want een scheuring in de linkervleugel was natuurlijk waanzin. Mijn vader was daarin dus actief; en hij zat ook in het bestuur van de Bouwbond, als grondwerker. We kregen een heftige discussie. Herman was nog vrij jong, die was 15 jaar, maar hij bemoeide zich er wel mee. Ook met mijn oudste broer — die woonde niet meer bij mijn ouders, die was getrouwd — kregen we heftige discussies. Uiteindelijk ben ik lid van de Communistische Jeugd Bond geworden.

Communistische jeugdbeweging

Ik voelde me daar eigenlijk niet thuis. Want in de CPH had je twee groepen: de Wijnkoop-groep en de officiële groep, van Louis de Visser. Dat waren een tijdje twee organisaties geweest, die waren net weer bij elkaar. In 1925 had het uitvoerend comité van de Derde Internationale ingegrepen in een slepende interne strijd in de CPH. Dat in grijpen leidde er uiteindelijk toe, dat op de kandidatenlijst van de CPH voor de Tweede Kamerverkiezingen Louis de Visser lijstaanvoerder werd. Hierop legden Wijnkoop, Van Ravesteyn en Ceton — die vanaf 1909 het Dagelijks Bestuur van de partij vormden — hun functies neer. Enkele maanden later werden Wijnkoop en Van Ravesteyn geroyeerd en in 1926 richtten zij met enkele medestanders een nieuwe partij op, de Communistische Partij Holland — Centraal Comité. In 1929 kwam Wijnkoop voor die CPH-CC in de Tweede Kamer. Juni 1930 hief hij de CPH-CC op en onderwierp hij zich opnieuw aan het gezag van Moskou. Na enige aarzeling werd hij weer geaccepteerd als lid van de CPH.

De Wijnkoop-groep had — naast intellectuelen en ongeschoolden als bijvoorbeeld schoonmaaksters — vooral de echte arbeiders, de proletariërs. Daar zaten wat bouwvakkers bij, wat typografen en wat kleermakers. De CPH-Louis de Vissergroep, daar zaten veel havenarbeiders bij, NAS-mensen en ongeschoolde, losse arbeiders; maar ook veel wat wij toen noemden lompenproletariaat. Pooiers en ongeletterde heiers. Heiers, dat was allemaal tuig van de richel; die hadden maar twee dingen, dat was consistentvet en jenever. Consistentvet, dat is vet om kabels en rollen tegen slijtage te beschermen; daar zaten ze altijd onder. En verder wat schippers, die geen werk meer hadden. Dat was echt die CPH-groep van De Visser. Daaruit bestond ook voor een deel de CPH-jeugd; de CJB, Communistische Jeugd Bond. Daarin zaten bijvoorbeeld kinderen van de prostituees uit de Nieuwstad en de Raamstraat, dat was in die tijd ook een hoerenstraatje; maar ook kinderen van losse arbeiders, van ongeschoolde arbeiders. Ik ben lid van de CJB geworden, maar ik voelde me daar niet happy bij. Want proletarische discussie over de problemen was er niet — het was net in de periode dat vanuit Rusland de bolsjewisering van de communistische beweging op touw werd gezet. Dus: trouw aan Rusland. Ik weet nog wel dat de bestuurder die hier zat — Ernst Mulder, die maakte ook deel uit van de landelijke leiding — terugkwam van een congres in Amsterdam en daar was er weer één van het West-Europees Bureau van de Communistische Internationale geweest, die had ze weer allemaal op hun sodemieter gegeven: het blad De Jonge Arbeider deugde niet. Ik dacht: gadverdamme, dan komt er zo’n smeerlap en die zal ons wel even vertellen wat we in ons krantje moeten schrijven. Hij zei dat de uitdrukkingen die we gebruikten niet proletarisch genoeg waren en weet ik veel wat. Een heel gekanker. En niemand durfde iets te zeggen, want wat uit Rusland kwam was goed; Rusland was volgens de CPH natuurlijk de hemel op aarde.

In 1932 kwam de scheuring in de SDAP. De linkervleugel scheidde zich af en ging verder onder de naam Onafhankelijke Socialistische Partij. Mijn vader werd afdelingssecretaris van de OSP hier; ik heb me er ook bij aangesloten. Ik zag het enthousiasme van die groepering, dat waren ook echt allemaal arbeiders. Een paar studenten waren erbij, maar verder waren het allemaal echte arbeiders. Daar voelde ik me wel bij thuis, dat was echt proletarisch. Proletarisch links — dat bestaat niet meer tegenwoordig; dat zegt niemand meer iets. Er waren twee typografen bij, en een lithograaf, en verder vooral bouwvakkers, drukkers en spoor- en tramwegpersoneel. Ik ben dus lid geworden en heb een afdeling opgericht van het SJV — het Socialistisch Jeugd Verbond, dat was de jeugdafdeling van de OSP. Ik heb die afdeling opgezet samen met Tobias Vorstenberg, die kwam uit de AJC, en Jan Kampinga, die zweefde een beetje naar het anarchisme.

Met de OSP stonden we op een keer kranten te verkopen op het Hereplein. Dat was ten tijde van de muiterij op de Zeven Provinciën. Uit protest tegen loonsverlagingen en de arrestatie van collega’s die in Soerabaja tegen die loonsverlagingen hadden gedemonstreerd, nam de uit zowel Nederlanders als Indonesiërs bestaande bemanning van het oorlogsschip De Zeven Provinciën de macht aan boord over; en op 5 februari 1933, om twee uur in de ochtend, vertrok het schip uit Olehleh en stoomde op richting Soerabaja. Het schip werd gebombardeerd met een bom van vijftig kilo — er vielen meer dan twintig doden en een aantal gewonden. We hadden een handkar, en daarop een groot bord met een leus tegen dat bombardement, want wij steunden die opstand. De politie stuurde ons weg, we mochten niet colporteren in het centrum, dus we gingen naar de Oosterpoort. Een week later stonden we weer te colporteren in de Oosterpoort, werden we ook daar weggestuurd door de politie: “Breng die handkar naar het bureau.” Wij zeiden: “Doe dat zelf maar.” Dus we liepen daar over de Radesingel, richting Rademarkt, met een paar agenten die onze handkar met die leus voortduwden. En wij daarachter aan, kranten verkopen. We hadden dikke lol natuurlijk. Dat was een beetje studentikoos, maar toch wel geinig.

Handkar van de OSP

Na de scheuring in ’32 had de OSP hier 72 leden. Maar dat begon toch langzaam weer te zakken. Vooral na de verkiezingsnederlaag in ’33. Ze dachten dat we minimaal twaalf zetels zouden krijgen in de Tweede Kamer, maar we kregen driekwart van de stemmen voor één zetel. Een aantal landelijke kopstukken stapte toen op — zoals Karel van Staal, die was voor hij lid van de OSP werd wethouder van Gouda voor de SDAP geweest; en Nathan Nathans, de voorzitter van de Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel. Edo Fimmen, die na de oprichting voorzitter werd van de OSP, was al eerder opgestapt: hij was ook secretaris van de Internationale Transportarbeidersfederatie, en volgens de andere Nederlandse leden van het ITF-bestuur waren die twee functies onverenigbaar. Fimmen koos voor zijn functie bij de ITF. Plaatselijk waren er hier een paar studenten die bedankten, onder andere de nu bekende neerlandicus, die altijd voor de VARA sprak, Garmt Stuiveling — dat was heel mooi: hij kreeg verkering met een jonkvrouw en hij vond dat hij geen lid meer kon zijn van een linkse socialistische partij, dat paste niet bij zijn adellijk milieu. Schitterend. Ook één rechtenstudent hier uit Groningen stapte op, Jopie van Zaayen. Die is nu nog steeds advocaat — hij was advocaat van de bewoners van de singel tegen de komst van het Groninger Museum in de Zwaaikom. Hij is helemaal naar rechts toegedraaid, heeft nu sympathie voor het extreemrechtse OSL, het Oud Strijders Legioen. En Leo Frank was lid, dat was een goede jongen, die is weer teruggegaan naar de SDAP. Hij is tijdens de tweede wereldoorlog in het verzet gestorven. Zijn zoon Leonard Frank is nu een vrij bekende toneelregisseur. Ook Gerrit Kastein was hier lid, die studeerde geneeskunde. Dat was mijn beste vriend, we trokken veel samen op. Kastein heeft het laatste jaar, in ’33, gestudeerd in Duitsland. Hij zag daar hoe de leden van de proletarische studentenbonden in elkaar geranseld werden; de socialistische en de communistische, maar vooral de communistische. Hij kwam weer terug, hij zegt: “We worden allemaal één groepering en alles wat fascist is moeten we onmiddellijk de kop inslaan. Niemand laten leven, want ik heb gezien wat ze in Duitsland doen.” Dat kon natuurlijk niet, je kon niet beginnen met mensen uit te moorden, maar hij was helemaal wild. Hij heeft bedankt voor de OSP, is lid van de CPH geworden. Hij is daar lid van gebleven, en toen de burgeroorlog in Spanje uitbrak is hij naar Spanje gegaan als arts van het Rode Kruis. Na terugkomst heeft hij in Den Haag nog gewerkt als neuroloog bij De Volharding, een ziekenhuis dat eigendom was van de ziekenfondsvereniging. Later kwam hij in de landelijke leiding van de CPN — in 1935 had de CPH haar naam veranderd in CPN — en hij werd ook redacteur van Politiek & Cultuur, onder de naam H. de Groot. Een hele aardige, sympathieke vent. In de oorlog is hij verraden door een oud-CPN’er die overgelopen was, of misschien was dat daarvoor ook al een provocateur. Hij werd naar één of ander hotel gelokt. Hij kwam de kamer binnen en daar zat een SS’er, achter de deur stond er ook één — hij is zo rechtdoor gelopen en door het raam naar beneden gesprongen.[1]

Op kamers

Tobias Vorstenberg, Hennie Rensema en Peter Drenth (vlnr) tijdens een congres van het SJV.

Tobias Vorstenberg, Hennie Rensema en Peter Drenth (vlnr) tijdens een congres van het SJV.

Intussen was ik werkloos en mijn moeder maakte zich vreselijk bezorgd dat ik nooit werk vond. Ik was werkloos, dus zat mijn vader in de werkverschaffing in Jipsinghuizen. Hij was steeds twee weken van huis, dan kwam hij zaterdagmiddag thuis en maandagmorgen vroeg ging hij weer weg. Als hij thuiskwam was hij natuurlijk doodmoe van het werk; en dan begon mijn moeder over mij te jammeren: “Die jongen daar komt niks van terecht, hij loopt alleen maar achter de politiek aan, hij kijkt niet meer naar werk uit” — afijn, zo ging dat dan. Ik had al een paar keer ruzie gehad met mijn moeder. Nu begrijp ik het gevoel van mijn moeder wel, maar op die leeftijd denk je ‘waar bemoei je je mee.’ Dus ik kreeg ook ruzie met mijn vader. En met mijn dolle kop ben ik de deur uitgelopen. Ik heb mijn spullen in mijn boekenkast gepakt — ik had een boekenkastje gemaakt, dat had ik zelf getimmerd — ik had wat boeken, niet zoveel, maar daar heb ik dus mijn kleren bij ingedonderd; ik heb die boekenkast op mijn fiets gelegd en ik ben weggegaan.

Ik ben naar Tobias Vorstenberg gegaan, een vriend van mij met wie ik in de jeugdbeweging zat. Hij was fotograaf van beroep, retoucheur, en hij was net ontslagen. Hij had een kamer gehuurd en was begonnen met zo’n bakkerskar, maar dan met kruidenierswaren en van alles wat. Daar ben ik naar toe gegaan, ik zeg: “Tobias, kun je me erbij hebben?” Nou, en toen hebben we dat samen gedaan. Dat was nog niet zo gemakkelijk. Als we zeven-en-een-half, acht gulden in de week hadden dan was het mooi. We moesten een rijksdaalder kamerhuur betalen met z’n tweeën — we sliepen samen in één bed — en een rijksdaalder voor de huur van de bakfiets. Wat er overbleef daar moesten we van proberen te leven. Dus dat was niet zo vet. Dat was heel, heel erg armoedig.

In ’34 brak de Jordaanopstand uit, in Amsterdam. Heel Nederland zat in spanning, want het was een werklozenopstand. De steunuitkeringen werden verlaagd; het grondbedrag ging omlaag van f 13,50 naar f 12,- per week, de kindertoelage van f 1,50 naar f 1,35. In de Jordaan woonden de allerarmsten van Nederland — voor het grootste deel ongeschoold en ongeorganiseerd. De CPH en vooral de OSP en de RSP hadden veel invloed in de wijk. Het Jordaanoproer sloeg niet over naar andere werklozen in het land of naar de arbeiders in de werkverschaffing. En het NVV weigerde in actie te komen: de angst zelf werkloos te worden won het van de solidariteit met de werklozen. De rellen braken op 4 juli uit in de Jordaan en groeiden snel uit tot een waar volksoproer in de arbeiderswijken van Amsterdam. Op 10 juli was de rust in Amsterdam weergekeerd, ten koste van zes doden en tientallen gewonden.

Ik ben direct op de fiets gestapt zodra de Jordaanopstand uitbrak en naar Amsterdam gegaan. Een paar dagen fietsen. Maar op het moment dat ik daar aankwam was het al gebeurd. Dus ik weer terug.

Twee landelijke leiders van de OSP, Jacques de Kadt en Sal Tas, gingen aan de haal — ze waren bang gearresteerd te worden omdat ze de Jordaanopstand hadden ondersteund. Ze gingen naar Antwerpen; en Jacques de Kadt ontdekte ineens dat de massa niks was: de elite, de elite dat was alles.

Werklozen mochten bij Instituut de Haas allerlei cursussen volgen in timmeren en kunstschilderen en zo, ik had een cursus gevolgd in typen — dat was het nuttigste voor de partij, want niemand kon typen. We hadden een stencilmachine gekocht bij een bedrijf, op afbetaling. De afspraak was: als we de stencilmachine afbetaald hadden dan zouden we daar een schrijfmachine kopen. In de tussentijd mocht ik in dat bedrijf alles typen. Ik was bezig met een pamflet over die Jordaanopstand — Solidariteit, afijn, een heel opgewonden manifest natuurlijk. Ik zat dat te typen en de eigenaar van dat bedrijf las dat over mijn schouder mee. Hij zei: “Dat wil ik hier niet hebben!” Die man was zelf lid van het Leger des Heils, dus dat was ook niet zo best.

Ik zeg: “Meneer, dat is prima. U schendt de afspraak, wij houden ons er ook niet aan. De stencilmachine wordt niet afbetaald. En van het geld dat we over hebben gaan we ergens anders een schrijfmachine kopen.” Daarop bond hij in. Dat werd hem toch te gortig; want de middenstand stond er ook slecht voor in die tijd, natuurlijk.

“Ga nu maar door,” zei hij, “maar ik wil dit in het vervolg niet meer hebben.”

Ik zeg: “Zo lang ik hier rustig kan tikken betalen wij trouw door. Maar als dit ophoudt, houdt het andere ook op.” Ik denk: stok achter de deur — en ik kon dus typen.

Eerder was die man ook al niet zo blij geweest met een pamflet dat ik daar getikt had. Er waren nogal wat middenstanders die NSB’er waren, of sympathisant. We hadden een heleboel van die adressen verzameld en een groot manifest gemaakt. Daar stond boven: ‘Arbeiders van Groningen, wanneer u sympathie hebt voor de NSB moet u bij de onderstaande winkeliers kopen, want die zijn lid.’ Ze schrokken zich allemaal de pleuris. Ze konden ook niet zeggen dat we hun dwars zaten; want we bevalen ze aan. Ja, dat was heel leuk. Mijn broer Ludwig was ook lid van de OSP; hij werkte bij een meubelmaker en hij zegt: “Mijn baas is ook lid van de NSB.” Die kwam dus ook op de lijst. Ludwig kreeg daardoor herrie op zijn werk.

Afijn, ik kwam weer in Groningen na mijn fietstocht naar Amsterdam, en ik zeg tegen Tobias — voor ik wegging hadden we dat manifest over de Jordaanopstand verspreid — ik zeg tegen Tobias: “Moet je eens luisteren, ik vertrouw dat zaakje niet. De politie is er intussen vast achter gekomen waar dat pamflet vandaan komt.” En we hadden die stencilmachine gewoon thuis staan, op ons adres.

Dus we hebben die stencilmachine in de bakfiets gelegd, en die hebben we naar het huis gebracht waar mijn vriendin Hennie Rensema haar kamer had. Ik was voorzitter van de afdeling van het SJV hier en zij was secretaresse. Ik had haar ontmoet in de Communistische Jeugd Bond, zodoende waren we samen. Zij kwam uit een echt communistisch milieu, en zij werd dus door haar familie een beetje raar aangekeken dat ze zich bij de OSP had aangesloten. Zij was ook de deur uit, ze woonde op een kamer, en daar hebben we die stencilmachine neergezet.

We kwamen terug en de hele Tuinstraat, waar Tobias en ik die kamer hadden, was afgezet. We kwamen de Oostersingel af en ik vroeg aan wat mensen die daar stonden: “Wat is er aan de hand?”

“Nou, daar zitten allerlei communisten en zo wat.” En dat was het huis waar wij woonden.

Ik zeg: “Tobias, niet direct naar huis want dan worden we opgepakt. Buiten blijven. We rijden eerst even door met de bakfiets.” Ze kwamen onze stencilmachine ophalen, zoals we later hoorden inderdaad naar aanleiding van het manifest waarin we opriepen om solidair te zijn met Amsterdam. Ze wilden onze stencilmachine hebben, maar de stencilmachine was weg. De mensen waar we thuis waren, die waren lid van de Communistische Partij, die hadden ook een stencilmachine. En toen hebben ze de stencilmachine van de CPH maar meegenomen. Die stond onder het bed bij die man, dus die had er goed de smoor in.

We fietsten wat rond, terwijl de politie onze kamer doorzocht, en ik kwam toevallig mijn zus tegen. Ze zegt: “Kom maar gauw weer terug naar huis; moeder is zo ongelukkig, ze zal geen ruzie meer maken.”

Dat kwam mij net goed uit natuurlijk, dus ik zeg tegen Tobias: “Ik ga weer naar huis, ik ga weer terug.” We zijn ’s avonds naar onze kamer in de Tuinstraat gegaan, ik heb mijn spullen opgehaald en ben weer teruggegaan naar mijn ma.

Vakbondsperikelen

In de periode dat ik op kamers woonde kreeg ik contributieschulden bij het NVV, want ik had geen cent om contributie te betalen. Dus ik ging daar naartoe, ik kwam bij de verantwoordelijke bestuurder en die zegt: “Ik heb allang een streep door jouw naam gehaald, je hebt al drie maanden geen contributie betaald.”

Ik zeg: “Daar had je me wel even bericht van kunnen sturen.”

“Ja, ik wist niet waar je woonde. Ik heb het met je vader overlegd.” Hij wou het ook niet herstellen — nee: af is af. Ik stond dus weer buiten, en ben lid van het NAS geworden. Tot het uitbreken van de oorlog ben ik in het NAS geweest.

Ik geloof in ’34 werd een besluit genomen dat CPH’ers en OSP’ers geen lid mochten worden van het NVV. Lidmaatschap van één van die partijen was opeens onverenigbaar met lidmaatschap van het NVV. Er werd dus schoon schip gehouden.

Alleen mijn broer Ludwig bleef lid van het NVV. Hij werd hier in Groningen zelfs afdelingsvoorzitter van de Meubelmakersbond. En dat ging wel goed. Tot in het begin van de oorlog Woudenberg bij het NVV kwam. Woudenberg werd door de nazi’s aangesteld om de vakbeweging gelijk te schakelen. Er kwam een NSB’er op de ledenvergadering, en die begon over “kameraden”. Mijn broer zegt: “Niks kameraden, ik ben jouw kameraad niet. Ik ben voor jou ‘meneer’.” Ludwig zegt tegen de vergadering: “Nu dat soort mensen bij ons op de vergadering komt trek ik me hier, op deze ledenvergadering, terug als voorzitter; en ik bedank ook als lid.” Alle bestuursleden, op één na, waren solidair. Die gingen allemaal weg, met hem. Dus de hele afdeling van de Meubelmakersbond zat op dat moment zonder bestuur. Alleen de bode bleef, de rest niet. Mijn broer kreeg de volgende dag iemand aan de deur — of hij wel wist wat hij deed. Want ja, het concentratiekamp lag niet zo ver weg. Dat was in de oorlog.

Fusie

Begin 1935 fuseerde de Onafhankelijke Socialistische Partij met de Revolutionair Socialistische Partij van Henk Sneevliet. Sneevliet was een internationaal bekende Nederlandse revolutionair: hij was oprichter van de PKI, de Indonesische Communistische Partij, en — als vertegenwoordiger van de Derde Internationale — medeoprichter van de Chinese Communistische Partij. In 1924 sloot hij zich aan bij de Internationale Linkse Oppositie van Trotski, en in 1927 brak hij met de CPH. De RSP richtte hij op in 1929. In 1933 werd hij vanuit de gevangenis — waar hij zat vanwege zijn steun aan de opstand aan boord van De Zeven Provinciën — in de Tweede Kamer gekozen. Behalve voorman van de RSP was hij ook dé grote man van het NAS. Door de fusie tussen OSP en RSP ontstond de RSAP, de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij. Die fusie vond plaats omdat beide partijen voorstander waren van het oprichten van een Vierde Internationale, en twee afdelingen in één land was natuurlijk onzin. Maar door de fusie verloren wij hier in Groningen een deel van de oude afdeling van de OSP. Want die mensen hadden wantrouwen tegen Sneevliet, omdat hij uit de communistische beweging voortkwam. Daarbij vonden ze dat hij te veel als leider van de RSP werd gezien, dat er te veel aan persoonsverheerlijking werd gedaan. Ook was Sneevliet natuurlijk de grote man van het NAS, terwijl de meeste OSP’ers meer zagen in het NVV. Het was een beetje schwärmerisch eigenlijk, dat wantrouwen tegen Sneevliet: ‘we zijn onafhankelijk, we zijn niet gebonden’. Er zaten wat anarchistische trekken in, het waren een beetje vrije socialisten. Afijn, er zijn er dus niet zoveel meegegaan naar de RSAP. Maar ik ging wel mee. Mijn broers Ludwig en Herman ook — Herman was intussen adspirantlid van de OSP geworden. Na de fusie had de RSAP in Groningen vijfendertig leden; dat groeide redelijk door tot er 67 leden waren, begin 1936. Dat was het hoogtepunt, daarna ging het geleidelijk aan bergafwaarts.

We hadden hier een aardig groepje van de OSP. Ik denk een man of vijfentwintig, dat ik hier bij elkaar gescharreld had, met oud-AJC’ers erbij. Oud-AJC’ers, want AJC’ers die lid werden van de OSP mochten geen lid blijven van de AJC, die werden uit de AJC gekieperd. Een paar hebben daarom weer bedankt voor de OSP, die bleven toch liever in de AJC. Want Herman Molendijk, dat was destijds de grote man van de SDAP in Noord-Nederland, kwam een donderspeech houden. Maar er bleven er toch een aantal hangen. We hadden een aardige afdeling.

De broers Herman (met figuurzaag) en Peter Drenth (direct achter hem) bij het SJV.

De broers Herman en Peter Drenth

En toen kwam dus de fusie tussen de OSP en de RSP; en ging ook het SJV samen met de jongeren van de RSP, de Revolutionaire Jeugd Bond. Alleen Herman en ik zijn overgegaan naar die nieuwe organisatie, de rest van de SJV-afdeling verdween in het niet. De RJB was een beetje NAS-achtige jeugd. Daar waren weinig echte arbeiderskinderen bij. De NAS was hier toch ook voor een deel wel een beetje anarchistisch, een beetje verworden eigenlijk. Die nieuwe jongerenbeweging van de RSAP, dat werd het Revolutionair Socialistisch Jeugd Verbond.

In november scheurde de RSAP alweer. Een aantal mensen stapte eruit en richtte een nieuwe partij op: de BRS — Bond van Revolutionaire Socialisten. Die groepering van Jan Molenaar, Frank van der Goes en Jan Koomen — redacteur van het blaadje van de SJV — was een rechtervleugel uit de RSAP; die vond dat de invloed van Sneevliet te groot werd. De hele oude OSP-leiding stapte al voor of vlak na de fusie op. Piet Schmidt is er uitgegaan, nog voordat de BRS werd opgericht. Stien de Zeeuw is er samen met Schmidt uitgegaan — want ze was toentertijd verliefd op Piet Schmidt, dus: hij weg, zij er achteraan. Stien de Zeeuw is nou nog een beroemdheid, die werd na de oorlog gedeputeerde voor de PvdA in Zuid-Holland. Jacques de Kadt was al weg. Karel van Staal is weggegaan en Edo Fimmen is weggegaan, die kwamen nog bij de links-socialistische organisatie De Vlam terecht. En wie ook nog een rol gespeeld heeft in de OSP dat was een oud-vakbondsvoorzitter, Roel Stenhuis. Dat was een fabrieksarbeider hier uit de provincie, die is eerst voorzitter geworden van de fabrieksarbeidersbond, en later voorzitter geworden van het NVV, en daarna voorzitter van de vakbondsinternationale. Maar die hebben ze de vakbond uitgewerkt, want die wilde hier een Labourpartij model hebben. Ik geloof dat hij er zogenaamd werd uitgewerkt omdat hij bij een meisje op kantoor een kindje had geschapen. Dat soort dingen deed dat tuig allemaal natuurlijk, al die bureaucraten daar; maar hem konden ze erop pakken, begrijp je wel. Hij moest dus verdwijnen. Roel Stenhuis is later nog NSB’er geworden, nota bene. Toen was hij kippenboer in Beekbergen op de Veluwe. Ik weet nog wel dat ik hem in Amsterdam tegenkwam op het eerste officiële congres van de OSP, de oprichtingsvergadering eigenlijk. Er was net een textielstaking in Twente geweest — een groot protest, dat heeft weken geduurd — en de voorzitter van de textielarbeidersbond was dronken in Amsterdam gesignaleerd. Ik, in mijn jeugdige overmoed, vond dat natuurlijk een groot schandaal; want dat ging de hele beweging door. Ik zeg tegen Roel Stenhuis: “Hoe vind je dat nou?”

Hij keek me eens aan en zegt: “Ja, een grote klootzak. Die had vijf liter jenever in huis moeten halen en net zo veel zuipen tot hij niet meer kon, dan had zijn vrouw hem wel in bed gegooid. Maar hij moet er niet mee op straat gaan.” Daarop zegt hij: “Wat denk jij nou, godverdomme! Je draagt wekenlang de verantwoordelijkheid voor duizenden huisgezinnen. Die man moet er een keer uitspringen, anders wordt hij stapelgek. Dat kun je niet bolwerken, dat kan geen mens verdragen. Maar hij had het niet buiten moeten doen.” Dat was wel ontnuchterend voor mij. Later dacht ik: verdomme, ja, daar zit toch wel wat in. Dat was de ouwe Roel Stenhuis.

Voordat de RSAP in november 1935 scheurde en door de mensen van de rechtervleugel de BRS werd opgericht, was het RSJV al gescheurd. In oktober vormden de voorstanders van de Vierde Internationale de Leninistische Jeugd Garde — de LJG. Ik zat daar ook bij. Het oude RSJV ging een maand later mee met de BRS en daar hoorde je niks meer van.

De afdeling van de RSAP in Groningen was een hele kleine afdeling. Die rustte voornamelijk op wat we nog hadden overgehouden uit de oude OSP en RSP. Daar kwamen geen nieuwe mensen bij, er gingen er alleen maar weg. Mijn broer Herman ging in ’36 naar Den Haag, waar hij wel lid van de RSAP was — hij zat daar dicht bij het centrum, bij de leiding. Ik bleef hier, en mijn oudste broer ook. Wij waren geloof ik de enigen van de hele oude OSP-afdeling die na één of twee jaar nog in de RSAP zaten. Voor de rest waren het allemaal NAS-mensen.

Maar ik ging hier dus met RSAP-leden door. Dat was een heel klein groepje. Ik had wat contacten met een aantal NAS-bestuurders enzo, die wel lid waren; maar het was allemaal niet zo groot. Ik denk dat we met zoiets van vijfentwintig, dertig man waren. In het begin veel meer, maar dat zakte ook weer af.

Ik had onder andere als taak de verspreiding van de krant bij een aantal mensen die zich niet durfden te abonneren. Die waren wel abonnee, maar geheim — en die kranten moest ik langsbrengen. Eén was opzichter bij de woningbouwvereniging, en verder waren dat een paar overheidsdienaren.

De ziekte van de armoe

Mijn eerste vrouw, Hennie Rensema — dat was die secretaresse van het SJV — is heel jong aan tuberculose overleden, we waren net getrouwd. We zijn getrouwd omdat ze zwanger werd. We waren wel bij de Nieuw-Malthusiaanse Bond geweest, de voorloper van de NVSH, om voorbehoedmiddelen te halen. Maar ze gaven alleen voorbehoedmiddelen aan getrouwde stellen. Dus Hennie raakte zwanger en toen zijn we getrouwd. Kort daarna bleek ze tbc te hebben. Dat kwam door die rotzooi, door die werkloosheid. Tuberculose is de ziekte van de armoe. Afijn, ze werd dus ziek, er kwam een dokter en die zegt: “Dat ligt aan de kou.”

Hennie Rensen:a en Peter Drenth in 1932.

Hennie Rensema en Peter Drenth in 1932

Ze werd steeds magerder en ze hoestte maar en mijn schoonmoeder zei: “Dat kan nooit goed zijn.” We zijn samen naar het consultatiebureau gegaan en ze bleek inderdaad tbc te hebben. Het was al te ver — er waren nog geen geneesmiddelen. Dik een half jaar heeft ze in een kuuroord gezeten, heeft ze gekuurd. Ze is zo’n twee jaar ziek geweest voordat ze is overleden. Ja, en het kind dat we samen hadden bleek besmet te zijn en is ook overleden. Dus ik stond weer alleen.

Ondertussen, het was 1937, was de burgeroorlog in Spanje uitgebroken. Kort nadat mijn eerste vrouw was overleden ben ik naar Amsterdam gegaan, naar Sneevliet, want ik wilde naar Spanje. De Spaanse Burgeroorlog begon op 18 juli 1936 met een mislukte militaire putsch. In een aantal landen, waaronder Nederland, organiseerden linkse partijen daadwerkelijke — ook militaire — steun voor de republiek. Groepen vrijwilligers gingen naar Spanje om tegen het oprukkende leger van Franco te vechten. Uit Nederland tussen de zes- en achthonderd mensen. De meesten kwamen terecht bij de communistische Internationale Brigades, maar ook revolutionair-socialisten en anarchisten trokken naar Spanje om te vechten in verschillende milities. Revolutionair-socialisten vochten over het algemeen in de militie van de POUM, een partij die een positieve houding aannam ten aanzien van de doorvoering van de Spaanse revolutie. Op aandrang van de Russische regering en door de intriges van de Russische geheime dienst, werd de POUM in juli 1937 verboden. De leiders van de partij en veel leden werden gevangen genomen, gemarteld en vermoord. De POUM zette illegaal de strijd tegen fascisme en stalinisme voort.

Afijn, ik ben dus naar Sneevliet gegaan want ik wilde naar Spanje, naar de POUM-troepen. Sneevliet zegt tegen mij: “Welke rang heb je gehad in het leger?”

Ik zeg: “Ik ben helemaal geen soldaat geweest.”

Hij zegt: “Ze hebben mensen genoeg daar in Spanje. Ze moeten daar militaire specialisten hebben. Als je nou sergeant-majoor of zoiets was geweest had ik je erheen gestuurd, maar nou niet. Al die jongens hier willen godverdomme weg. Al die romantische denkbeelden; ze willen allemaal naar Spanje — dat heeft geen enkele zin. We hebben daar kerels nodig die het militaire handwerk verstaan en geen idealisten die zich laten doodschieten.”

Ik zeg: “Mag ik niet weg?”

Hij zegt: “Ja, vanavond direct weer terug naar Groningen, daar hebben we je veel harder nodig.” Dat was wel een beetje lullig, maar hij had natuurlijk in wezen wel gelijk. Dus ik moest met de staart tussen de benen weer terug naar Groningen. Ik voelde me op dat moment heel lullig. Daar heb ik verder ook niet meer over gepraat. Met niemand. Zelfs Herman wist het niet.

Burgeroorlog in Spanje

Er was één student hier uit Groningen die wel naar Spanje is gegaan, naar de POUM-troepen; die is doodgeschoten daar — hoe hij heette weet ik niet meer; hij woonde in de Werfstraat, dat weet ik nog wel. Hij was niet lid van de RSAP, hij was lid van de BRS.

Ook Toon van den Berg uit Rotterdam is naar Spanje gegaan. Toon van den Berg heeft na de oorlog ook een grote rol gespeeld in het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties. Eerst in de Eenheidsvakcentrale en later in het OVB, daar was hij de grote man. Van de Hollanders was hij de laatste die terugkwam uit Spanje.

Er waren meer partijgenoten die gingen, onder andere twee uit Delft: Harry Combrink en Theo Jansen. Theo is na de oorlog naar Australië geëmigreerd, daar hebben we nooit meer iets van gehoord. Ook Piet van ’t Hart ging naar Spanje. Harry Combrink heeft daar, aan het front, een dynamietkogel in zijn schouder gekregen. Hij heeft in Spanje in het ziekenhuis gelegen, maar hij mocht al niet meer zeggen dat hij van de POUM was, want de razzia’s van de NKVD waren toen zo bezig. De politieke politie van Stalin heeft een heleboel revolutionair-linkse mensen opgepakt; dat was een ramp, die stalinisten. De Hollandse consul is nog bij Harry geweest, in het ziekenhuis — iedereen dacht dat Harry doodging — en die vroeg: “Kan ik nog iets voor u doen?”

Harry zei: “Ja, één ding. Als ik er door kom, wil ik graag mijn Nederlanderschap behouden.”

“Nou,” zegt die man, “dat beloof ik.” Want die denkt ‘hij gaat toch dood.’ Maar hij heeft wel woord gehouden. Harry is teruggekomen en hij bleef Nederlander. De splinters van die kogel hadden zich helemaal door zijn lichaam verspreid, die kwamen later zelfs uit zijn bil. Die kogel was er bij zijn schouder in gegaan. Zijn hele schouder was verbrijzeld. En zijn hand was heel klein geworden, heel gek, daar had hij ook helemaal geen macht meer over — door de pees samengetrokken of zoiets, ik weet het ook niet precies. Harry Combrink, dat was een intelligente, heel aardige jongen.

Nieuwsgierig

Begin 1939 heb ik een week of zes gewerkt in De Slikken, daar moesten we barakken bouwen. Er moesten nieuwe barakken komen voor de werkverschaffing. In Pieterburen. Na de oorlog zijn die nog gebruikt om NSB’ers op te bergen. We kregen al het hout tot op de tiende millimeter nauwkeurig geleverd van de fabriek, dat was goed georganiseerd. Als we de spanten overeind zetten, hoefden we alleen maar de planken erin te spijkeren. Ik verspijkerde elke dag minstens een pak spijkers van vijf kilo. Eigenlijk was dat allemaal lopende bandwerk. Ik was dus weer vrijgezel, zeg maar, want mijn vrouw was overleden. En ik verdiende iets van vier, vijfentwintig gulden in de week. We zaten daar de hele week, in het weekend zat ik hier in Groningen bij mijn zus, en haar betaalde ik een paar gulden kostgeld, niet zoveel. Dus ik hield geld over. Maar toen dat werk afgelopen was kreeg ik eerst een aantal weken geen uitkering: in de tijd dat je werkte mocht je van je loon een bedrag gelijk aan de hoogte van een uitkering plus éénderde erbij gebruiken, de rest werd je geacht op te potten en van dat opgespaarde geld moest je nog een aantal weken rondkomen als je werkloos werd. Pas als dat zogenaamd gespaarde geld op was, kwam je in aanmerking voor een uitkering. Zo was de regel.

Voorjaar ’39 was ik werkloos geworden en ik kreeg opeens bericht van het arbeidsbureau dat ik in Duitsland moest werken. Dat wil zeggen: het was niet verplicht, maar als je in Groningen bleef kreeg je geen uitkering. Je ging vrijwillig, maar als je niet ging kreeg je geen cent.

Bovendien was ik nieuwsgierig: hoe kan dat nou met een geweldig machtige arbeidersbeweging — een grote communistische partij, grote sociaaldemocratie — en ineens: zonder slag of stoot komt Adolf Hitler aan de macht, en heel Duitsland volgt hem. Ik vroeg me af: hoe kan dat in godsnaam, dat er niks overblijft van die geweldige arbeidersmacht. Ik had eerder — vanuit de OSP, in die tijd — wel een beetje contact met de Duitse jeugdbeweging. Maar dat contact was helemaal weg. Dus ik was vreselijk nieuwsgierig.

Ik kreeg die oproep van het arbeidsbureau en ik ben naar Duitsland gegaan. Ik kwam in de buurt van Braunschweig, bij wat heette de Hermann Göring Werke. Daar waren twee grote barakkenkampen, en één daarvan was speciaal voor de Italianen en de Slavische volken. Dat was allemaal wat ze noemden tweede volksklasse; de Italianen in wezen ook hoor. Hitler en Mussolini waren wel bevriend, maar de Italianen waren altijd nog zweite Volksklasse. Alleen wij Nederlanders en de Denen werden gelijkgesteld met de Edelgermanen, met de Duitsers. Dus kwam ik daarbij in de barak.

Ik kwam in de keet — je sliep met veertien man in zo’n barak — en daar hing aan de muur een grote plaat waarop stond ‘Wer hier als Freund nach drinnen kommt, der bringt den Hitlergruß’. Ik deed dat dus niet. En toen bleek dat er daar twee fanatieke NSB’ers waren. De ene had een grote foto van Mussert op de deur van zijn kast geplakt; en de tweede, ik meen dat hij uit Tiel of daar uit die hoek vandaan kwam, die had álles verzopen. Dat was echt tuig van de richel zeg maar. Die probeerde steeds geld te bietsen, dat hij weer drank kon kopen. Maar aan hem zag je dus, dat als je daar jezelf niet een beetje voor afschermt, voor het nationaalsocialisme, dan kom je makkelijk in die maalstroom mee; dan krijg je het idee: ja, er is weer hoop.

In die barak was er verder één, dat was een oud-militair. Een hele keurige man, heel gedisciplineerd. Die maakte telkens zo zijn bed op, de deken precies in model gevouwen, zoals ze dat in dienst geleerd hadden. Elke morgen voor het werk ging hij zijn schoenen poetsen. Best een aardige man. Verder zaten er dus die twee fanatieke NSB’ers; en dan zat er nog een jongeman uit Arnhem, die was handelsreiziger van z’n vak geweest, die was ook NSB’er. Maar die was toch anders dan die anderen.

Na een paar dagen sneed ik dat onderwerp voorzichtig aan, en het bleek dat de meerderheid geen NSB’er was. Dus zeg ik tegen die NSB’ers: “We zijn hier toch als Nederlanders onder mekaar, we moeten toch proberen om met elkaar één lijn te trekken.”

“Jazeker.”

Ik zeg: “Nou dan vind ik dat dat plakkaat weg moet, want niemand van ons is bereid die Hitler van jullie een groet te brengen. Waarom moet dat ding daar dan hangen. En als je die foto van Mussert nou aan de binnenkant van je kastdeur hangt, dan kun je daar de hele dag naar kijken als je dat graag wilt, maar dan hindert ons dat niet.” Verdomd, dat deed hij. Dat was heel leuk, ja. Ach, we gingen wel leuk met elkaar om; maar zij geloofden in die heilstaat van Hitler.

Op het werk was het zo: je kon dag en nacht werken. Als je kwam meldde je je, en als je dan wegging wanneer je er flauw van was dan meldde je je af. We begonnen daar ’s morgens om zes uur, want het was in de zomer, en het kon wezen dat je om twee uur wegging, of om vier uur, of om zes uur, of om acht uur, dat kon allemaal. Je moest je even melden en die uren werden genoteerd.

Op een bepaald moment moesten de kantoorbarakken verplaatst worden, van de ene hoek waar gebouwd was — dat was klaar — naar de andere hoek. Eén van die timmerlui kwam bij me, hij zegt: “Wil je meehelpen die barakken verplaatsen.” Dat leek me wel wat. Dat was leuk, want dat bleken allemaal mensen die ook niet zo erg hitlerachtig waren. Dat merkte ik wel aan de mentaliteit. Dus daar begon ik over te praten. “Ja,” zegt er één tegen mij, “als je op de één of andere manier uit dat je het er niet mee eens bent, dan hang je”. Later bleek dus ook dat zodra Hitler aan de macht kwam er meteen al honderdduizend Duitsers waren opgepakt. Communisten en SPD’ers en vakbondsmensen die probeerden iets van verzet te organiseren, die werden allemaal opgeborgen in concentratiekampen. Dus die hele beweging was eigenlijk onthoofd. Dat is mij daar gaandeweg duidelijk geworden.

Ik heb daar in een kroegje een man ontmoet, die was lid geweest van de Roodfrontstrijdersbond. Hij had een tijd in het concentratiekamp gezeten — hij kwam daaruit, maar de autoriteiten hadden zijn vrouw gewaarschuwd: als je hem in huis laat, castreren we je kinderen, want de kinderen van misdadigers worden ook misdadiger. Dus die vrouw stond met de rug tegen de muur — die man kwam terug uit het kamp en ze zei: “Het spijt me wel, maar zo en zo is het geval — je komt er niet in.” Dus die man liep daar met zijn ziel onder de arm, die zat elke dag in dat kroegje te drinken.

Er was daar ook een fanatieke nazi, die was vroeger communist geweest vertelde hij me — maar nu: Adolf ging boven alles. Hij zegt: “Maar aan één ding hebben we hier gebrek, er wordt maar één mening verkondigd. Ik hoor nooit een andere mening.”

Ik zeg: “Weet je wat het is: ik heb wel een andere mening, maar die kan ik niet uiten, want dat betekent dat ik achter de deuren ga.”

Die man zegt: “Ehrenwort, wenn du bei uns bist, darm passiert dir nichts, kannst ruhig alles sagen.” En erewoord dat was heel serieus voor hun. Dus ik zat ’s avonds in die keet in een felle discussie met die NSDAP’er; en die eindigde zo, dat hij op een gegeven moment vréselijk boos werd. Daarop zei hij: “Schluss jetzt. Ich hab’ mein Ehrenwort gegeben, aber dies geht zu weit.”

Ik zeg: “Dann machen wir Schluss.” Het verschil tussen marxisme en nationaalsocialisme probeerde ik hem aan te tonen. Ik trapte hem toch wel wat op zijn zere tenen, want je zegt dingen over die eenheidsstaat ook, over klassenstrijd versus nationale eenheid. En over het rassenvraagstuk: wat is het onderscheid, waarom is de één superieur aan de ander? Ik zeg: “Jij hebt in de communistische partij toch ook joden meegemaakt. Wat was er dan anders aan hun?” Dat Hitler een oorlogshitser was, zei ik, en een moordenaar — zelfs zijn eigen mensen waren niet veilig: Röhm, de leider van de SA, werd vermoord omdat hij homo was. In ieder geval was het vrij kras wat ik zei. Het ging nogal fel en aan het eind zei hij dus: “Schluss!”

Ik zeg: “Keine Probleme?”

Hij zegt: “Nee, wenn du jetzt gehst, bekommst du keine Probleme.” Dus ik ben weggegaan. Ja, ik had hem dus wel lelijk bezeerd in zijn geloofsovertuiging. Ik had hem heel diep in zijn ziel geraakt, want dan moet je ook de argumenten vinden om ze écht te raken. Daar gaat het een beetje om. In het begin ging dat nog wel, maar verder discussiërend raakte ik hem steeds dieper. Ik kon aan zijn kop zien dat het niet goed uitkwam. Ja, tot “Schluss!” Maar ik vond het heel fideel ook nog dat hij dat zei. Zijn erewoord was heel belangrijk.

Terug naar Groningen

Actie van het SJV op de Petrus Campersingel in Groningen.

Actie van het SJV op de Petrus Campersingel in Groningen

Ik ben daar twee maanden geweest, tot eind augustus 1939. Ik kreeg veertien dagen verlof en ik wilde wel naar huis. Dan moest ik eerst met de trein van Braunschweig naar Hannover, dan van Hannover naar Hamburg, en van Hamburg naar Nederland. Ik kwam in de trein van Hannover naar Hamburg, en die trein zat hartstikke vol met soldaten. In soldatenuniform, in matrozenuniform — de treinen zaten allemaal stikvol, want ze waren allemaal opgeroepen. Dus iedereen voelde wel dat de oorlog op het punt van uitbreken stond. Niemand schreef daarover, maar dat was heel duidelijk; in die trein merkte je dat, daar zaten mensen van alle lichtingen. Naast mij zat een handelsreiziger en die begon tegen mij te lullen. In het Engels ging dat, die vond het interessant om Engels te praten. Ik had vlak daarvoor wat Engelse les gehad, dus dat ging wel. Dat Engels ben ik nu vergeten allemaal, omdat het zo lang geleden is — ik ben blij dat het eronder staat als er wat op tv is. We kwamen in Bremen aan en daar was de trein naar Leer al weg. Die handelsreiziger zegt tegen mij: “Ga mee naar Hamburg.” Ik ben met hem meegegaan, ik denk: wat moet ik midden in de nacht op het station zitten. Die man nam mij mee naar Sankt Pauli; naar zo’n louche tent, wist ik veel. Daar was een enorm groot glas, daar werd een blote juffrouw ingezet. Dat glas werd volgeschonken met champagne en voor tien mark kon je een teug van die champagne nemen. Nou, ik keek dat even aan; ik zeg tegen die man: “Als ik die meid was dan zeikte ik erin.” Verschrikkelijk zeg, want die kerels die knepen het meisje in de borsten als ze een teug namen. En dan nog een briefje van tien mark en dan knepen ze weer. Ik vond dat zo walgelijk, ik zeg: “Ik ga weg, ik ga terug.” Nou, hij betaalde, ik ben naar het station gegaan, en in de trein naar Bremen gestapt. Daar heb ik de volgende dag een trein genomen naar Groningen.

Ik kwam aan in Leer — ik had een kaartje tot Leer, want die trein ging niet verder dan Leer; daar moest ik overstappen op de trein naar Groningen. In Leer werd ik er uitgepikt door de douane, door zo’n jonge snotneus, ik moest mee met die knul. Hij was bang dat ik deviezen smokkelde. Ik moest me helemaal uitkleden, onderwijl controleerde hij mijn bagage. Ik had een koffer vol vuil wasgoed bij me — want we konden daar hemdjes kopen, van die interlockjes, voor zestig pfennig, dat is niks natuurlijk. Dus in plaats van te wassen kocht je een nieuwe, en de vieze die ging weer in de koffer. Er zaten van twee maanden in, dat was een hele rij. Ik had zo’n harmonicakoffer van leer, daar zaten ze allemaal in. Die werden állemaal nagekeken. Aan al die randen werd gevoeld of er geld in zat. Waanzin. En ik zat daar maar, in mijn blote kont. Echt álles werd nagekeken, zelfs de zolen van mijn schoenen werden losgemaakt om te kijken of daar wat tussen zat. Die snotneus dat was zo’n echte, fanatieke nazi; dat type kun je er zo uit pikken. Hij vond niks en ik kon weer gaan. Maar ik had nog vier en een halve mark, dat weet ik nog wel, dus daar begon hij over te zeuren. Ik zeg: “Ja, das stimmt, ich muss noch eine Fahrkarte kaufen nach Groningen.” Eindelijk mocht ik weer verder. Maar de trein die ik moest hebben was al lang weg, dus ik kwam pas veel later aan. Afijn, ik kwam in Groningen en ik was twee of drie dagen thuis en ik lees in de krant: de oorlog is losgebarsten, Duitsland is Polen binnengevallen. Dus ik ben niet weer teruggegaan. Maar mijn gereedschap stond er nog en mijn kleren waren er nog, dus ik heb het Hollandse consulaat opgebeld en die hebben mijn gereedschapskist in een auto gestuurd. Die kist was praktisch leeggestolen. Daar zat nog een hamer in, en een zaag, verder was alles weg. De zagen die wij gebruikten, die gebruikten de Duitsers bijna niet. Ze hadden allemaal van die spanzagen, van die grote dingen. Wat wij hadden, die handzagen, dat noemden ze Fuchsschwanzen. Daar keken ze allemaal heel raar tegenaan. Want de timmerlui in de bouw in Duitsland, die maakten alleen het ruwe werk. Degenen die in de woning het binnenwerk maken, dat zijn Schreiner. Maar als die woningen werden opgeleverd, dan was dat allemaal nog niet afgewerkt. Dan waren de ramen er nog niet ingezet, dan zaten er van die grote gaten in. Het ging daar ook allemaal niet zo precies als hier. De Maurer die stond met een waterpas en als de waterpas niet helemaal zuiver was dan werd het huis ook niet zuiver. In Nederland werkten we met een schietlood; en door de timmerman werd er ook een draadje getrokken voor de metselaar. Maar zij zetten daar een hoek op; de Eckensetzer deed dat, de voorman van de metselaars. Die zette dan vier, vijf lagen metselwerk op de hoek op, en dan trokken ze daar de draad bij. Dus dat was allemaal wat ruwer dan hoe wij hier werkten.

Den Haag

Ik had Herman een tijd niet gezien — ik had twee maanden in Duitsland gezeten — en ik heb Herman een brief geschreven, telefoon had je nog niet in die tijd; ik heb een briefje geschreven dat ik bij hem in Den Haag op bezoek wilde komen. Hij antwoordde: “Kom maar een weekje,” dus ben ik naar Herman gegaan. Dat was september of oktober 1939. Ik was daar een paar dagen, toen kwam Leen Molenaar, een oud-OSP’er; hij was voorman bij Jaap van Eesteren en hij wist dat ik werkloos was. Hij zei: “Als je hier wilt werken, kom dan morgenvroeg even langs, want we hebben timmerlieden nodig.” Ik ben daar de volgende dag naartoe gegaan en ik ben aangenomen. Maandag beginnen. Ik had geen cent, ik ben bij Herman op de fiets gestapt en naar Groningen gefietst. Ik ben vrijdagmorgen weggegaan, om een uur of tien, en zaterdagmorgen om een uur of tien was ik in Groningen. Ik heb een uur gefietst, ben afgestapt, heb een kwartiertje gelopen, en ben weer opgestapt. Zo kon ik het wel vierentwintig uur volhouden. Ik was tenslotte nog jong.

Ik had hier in de stad wat kennissen opgedaan in die periode, en daar was er één bij, dat was een dominee. Een prachtige kerel, met een onverwoestbaar godsvertrouwen. Dominee Rijks. Ik maakte kennis met hem, hij zegt: “Wat heb ik gehoord, ben je bolsjewiek?”

Ik zeg: “Ja, zo is het dominee.”

“Ik vind het prachtig,” zegt hij, “dan kom je ook in de hemel.” Een hele mooie kerel. Ik denk: ik moet maar even naar dominee Rijks, want mijn gereedschapskistje heb ik voor maandag niet terug — dat was nog in Duitsland. Ik kom daar en ik zeg tegen hem: “Zo en zo is het geval dominee, ik wil graag een tientje lenen.”

“Nee,” zegt hij, “dat kan niet.”

Ik zeg: “Dan moet ik verder, want dan moet ik zien dat ik ergens anders wat regel.”

“Ga nou eerst even zitten. Mijn vrouw zet een kopje thee.” Maar ik zat op hete kolen natuurlijk, ik dacht: ‘verdomme, ik moet zien ergens een tientje vandaan te scharrelen.’ Zijn vrouw kwam met een kopje thee, en we zaten even, hij pakte zijn portefeuille, hij pakte een tientje en hij zei: “Dat geef ik je. Ik wil jou niet wat lenen, zodat je later — als je het niet terug kunt betalen — mijn deur voorbij loopt. Vriendschap is veel belangrijker dan dat tientje.” Dus ik heb opgelucht adem gehaald. Dat vond ik nou een leuke geste. Van het eerste weekloon dat ik verdiend heb, heb ik natuurlijk meteen een postwissel naar huis gestuurd met een begeleidend briefje voor mijn vader: “Breng dat even naar Rijks.”

Ik begon direct goed te verdienen daar, want het loon in Den Haag was hoger dan in Groningen. Het contractloon was hier achtentwintig gulden en een stuiver, of zoiets, en daar was het drieëndertig. Den Haag was ‘hoofdklasse’, dan had je nog ‘eerste klasse’ en Groningen was ‘tweede klasse’.

‘Vijfde klasse’ was het laagst. Ik kon op een gegeven moment werk krijgen in Zuidlaren, en die baas daar bood me 38 cent per uur. Hij zegt: “Ik mag niet meer betalen. Dat is het plaatselijk loon.” Het loon hier in de stad was 56 cent per uur. We hebben heel hard gestreden in de Bouwbond, voor de eis ‘Groningen in de eerste klasse’. Dat is er nooit van gekomen, want alle klassen werden in één keer opgeheven. Het loon werd overal hetzelfde.

De Groep van Bolsjewieken-Leninisten

Ik heb bij Van Eesteren acht maanden gewerkt, terwijl ik bij Herman in de kost was. Ik was op het moment dat ik naar Den Haag ging al geabonneerd op De enige weg, het krantje van de Groep van Bolsjewiki-Leninisten. Die GBL was opgericht door een paar mensen die in 1937 uit de RSAP waren geroyeerd na een conferentie op de Veluwe. Bij die conferentie was ik ook aanwezig.

Het conflict was eigenlijk het volgende: Sneevliet vond dat de Sovjet-Unie geen arbeidersstaat meer was; terwijl de Sovjet-Unie volgens Trotski een arbeidersstaat was zolang er geen contrarevolutie had plaatsgevonden — een verworden arbeidersstaat weliswaar, maar het bleef een arbeidersstaat. Dat was het grote conflict tussen Sneevliet en Trotski. Sneevliet heeft daarom gebroken met Trotski en dus ook met het centrum voor de Vierde Internationale. Daarover hebben we een hele grote vergadering gehad op de Veluwe; ik meen dat het op het Domela Nieuwenhuis-terrein was. Dat terrein was van het NAS, of de NAS-jeugdbeweging. We overnachtten daar in tenten.

Er werd heftig gediscussieerd — onder andere met een secretaris van Trotski, die daar was om de stelling van Trotski te verdedigen. Die secretaris, Erwin Wolff, dat was een roodharige jongen, een Tsjech. Hij is iets later, eind 1937, door de NKVD, de Russische geheime dienst, omgebracht in Spanje. Er zijn in een tijd van ongeveer twee jaar vier secretarissen van Trotski om zeep geholpen, en daar was hij er één van.

Er was tijdens die conferentie dus een hele discussie, tot diep in de nacht. Met een klein groepje, Sal Santen was daar geloof ik ook bij, kozen wij de kant van Trotski. Wij vonden dat de Sovjet-Unie nog wel een arbeidersstaat was en dus verdedigd moest worden.

Naar aanleiding van dat conflict ben ik uit de RSAP gestapt en vanuit Groningen heb ik mij opgegeven bij de GBL. Ik kreeg dus hun blaadje, De enige weg. De meerderheid van de tien mensen die na de conferentie op de Veluwe uit de RSAP geroyeerd zijn vanwege ‘fractievorming’ binnen de partij — die zaten voornamelijk in Rotterdam — hebben de GBL opgericht. Die geroyeerden dat waren De Wilde, Stoel, Oosterwijk, Penders, Peters en Pas uit Rotterdam; Hofman uit Sliedrecht; Konings en Luteraan uit Amsterdam; en Hart uit Zaandam. Voor zover ik weet waren die laatste drie niet betrokken bij de oprichting van de GBL in het begin van 1938. In ieder geval Barend Luteraan niet, die vormde zijn eigen groepje. Ik ben lid van de GBL geworden, en toen ik in 1939 in Den Haag kwam te werken ben ik samen met Herman naar het huis van Herman Peters gegaan. Later heb ik ook een keer bij Gerrit de Wilde thuis vergaderd. De Wilde en Peters woonden allebei in Rotterdam. In Den Haag ben ik dus pas actief geworden voor de GBL.

Het was maar een heel klein clubje. Ik denk iets van vijfentwintig mensen, meer niet. Ze zaten voornamelijk in Rotterdam. In Den Haag zat ik, in Eindhoven zat Flip Grave — een bouwvakker. Flip Grave was een hele solide, rustige arbeider; ik kwam hem na de oorlog weer tegen in de bondsraad van de Bouwbond. En we hadden een paar mensen in Leiden. Dat waren hele beste, trouwe mensen; maar Leiden heeft een apart soort arbeidersbevolking, dat is echt een achtergebleven gebied van de arbeidersbeweging. Die mensen in Leiden dat waren een paar gewone arbeiders, maar dan — het klinkt wat oneerbiedig — een beetje van de domme soort.

De activiteiten van de GBL bestonden eigenlijk alleen maar uit het uitgeven van een krant, en proberen met die krant discussies uit te lokken — vooral bij RSAP-leden. Dat lukte redelijk. Er zijn geen mensen overgestapt, daarvoor was de tijd waarschijnlijk te kort voordat de oorlog begon. Het is spannend geweest bij Willem Dolleman, die heeft geaarzeld toen ik bij hem thuis was, en bij Harry Combrink — die kwam in die tijd nog wel eens bij Herman over de vloer, hij was net terug uit Spanje — en zijn vriend, Theo Jansen. Herman hing er een beetje tussenin. Hij was lid van de RSAP, hij had veel contact met Willem Dolleman, en Willem Dolleman was het met de koers van Sneevliet ook niet helemaal eens, dus daar was een hele discussie gaande.

We hebben met de GBL in 1939 meegedaan aan de Provinciale Staten verkiezingen, alleen in Zuid-Holland. We haalden 629 stemmen, dat was 0,06 procent.

Ik betaalde voor de krant een tientje in de week. Een derde deel van wat ik verdiende. Ik was bij mijn broer in de kost, ik betaalde twaalf gulden kostgeld en een tientje voor de krant. Ik geloof dat ik 33 gulden in de week had, dus ik hield een tientje over. Dat was makkelijk te doen.

De krant werd gedrukt in Santpoort, bij de drukkerij van de anarchisten. Zo’n patser was daar directeur, een anarchist. Een dikke vent, met een gouden horlogeketting op zijn buik. Ik ben daar een keer geweest met Herman Peters, er had net in het Engelse orgaan van de trotskisten een foto gestaan van een Russische generaal — een brede kerel met de borst vol medailles. Onder die foto stond ‘het socialisme op één borst’. Dat was heel mooi. Ik zag die directeur van de drukkerij met zijn dikke gouden horlogeketting en ik dacht ‘gadverdamme’ — dat zijn voor mij echt plebejers. Vreselijk. Ik zei tegen Herman Peters: “Het socialisme op één buik.” En hij begon te lachen, hij kon zich bijna niet inhouden.

Herman Peters was zo’n beetje de ideologische man en Gerrit de Wilde regelde meer de praktische zaken — zij vormden met zijn tweeën de redactie van De enige weg, en dus de leiding van de GBL.

Herman Peters was constructiebouwer. Die jongen was afgekeurd want hij was naar beneden gedonderd van een steiger. Hij had een hele sleuf in zijn hoofd, was verkeerd terechtgekomen — op een balk of zo. Hij is opgepakt tijdens de oorlog en omgekomen in Vught.

Gerrit de Wilde is ook in een concentratiekamp terechtgekomen, maar die is teruggekomen. Hij is later helemaal overstag gegaan, hij is hartstikke rechts geworden, is pro-Amerikaans enzovoorts. Zijn zoon Bob de Wilde spreek ik nog wel eens, die is bevriend met mijn broer Herman. Bob is een aardige jongen, hij is lange tijd actief geweest in het Nicaraguacomité in Den Haag. Hij woont nu in Amsterdam, sinds een paar jaar is hij met Ellen Santen, de dochter van Sal. Bob zie ik twee keer per jaar — als mijn broer jarig is en als mijn schoonzuster jarig is. Dan komt Bob daar ook altijd trouw. Vreselijk aardige jongen.

Gerrit de Wilde was opzichter in de bouw. Hij woonde bij Irene, die is nu nog bij hem geloof ik. Irene was gescheiden van een man en Gerrit was ook gescheiden. Irene was ook lid van de GBL. Irene, haar achternaam weet ik niet meer, werkte bij een bank. Een goedbetaalde job. Ze had een prachtig mooie middenstandswoning. Daar woonde Gerrit ook, die was bij haar ingetrokken. Irene betaalde dus ook voor de krant mee. Maar zij was geheim lid, want bij die bank mochten ze daar niets van weten. Banken zijn wat dat betreft vreselijk gevoelig.

We hebben een hele lange periode vorstverlet gehad, vanaf voor de kerstdagen tot eind maart lag het werk stil. Van de bond kregen we vier weken uitkering en dan was het gebeurd, dan moest je naar het armenbestuur. Nu is dat de sociale dienst, maar destijds noemden ze dat armenbestuur. Dus ik heb een uitkering aangevraagd. Daarop hebben ze een onderzoek ingesteld bij mijn ouders, die al jaren van het armenbestuur kregen, of er bij hun niks te halen was om mij te ondersteunen. Dat bleek dus niet zo te zijn. En vervolgens kreeg ik bericht dat ik zes weken moest wachten op uitkering. Want ik had zo lang gewerkt, ik had maar moeten oppotten. Dus ik dacht: daar gaat de GBL. Intussen had ik mijn tweede vrouw leren kennen: met de kerstdagen was ik even naar Groningen geweest en daar kwam ik Dinie tegen.

In april 1940 ben ik terug naar Groningen gegaan, omdat we niet verder konden met het werk. Dat moest een tijdje stil gelegd worden, want de hele vloer was gestort — dat moest dan vier weken liggen en gedurende die tijd mocht er geen voet op gezet worden, dat was voorschrift van het rijk. We konden dus niet verder. Molenaar zei tegen me: “Er moeten acht mensen uit, dus je kan beter verlof vragen.”

Ik ben naar de baas gestapt — voordat hij bij mij kwam, ik was hem net voor. Ik zeg: “We kunnen nu toch niet verder. Kan ik niet een weekje met verlof, naar Groningen.”

“O, graag” zegt hij. “Dat is een hele opluchting.” Dus ik ben weggegaan; en ik was net een paar dagen hier in Groningen, toen vielen de Duitsers binnen. Dus ik kon niet meer terug. Ik ben hier gebleven, heb me in Groningen ingeschreven als werkloze.

Het Marx-Lenin-Luxemburg-Front

Doordat de oorlog uitbrak, ben ik het contact met de GBL verloren. Herman Peters en Gerrit de Wilde zijn vrij snel gepakt. Het adres van Herman Peters stond als redactieadres in de kop van de krant, dus hij was natuurlijk het haasje. Het was een verschrikkelijk aardige man, hij kon ellenlange discussies voeren over allerlei theoretische problemen — over twee korrels suiker, dat die niet gelijk waren: we zien ze wel bijna niet, maar elke korrel heeft zijn eigen leven en zijn eigen structuur enzovoort, weet ik veel wat. Daar kon hij heel lang over doorgaan, maar verder was het een aardige jongen.

Dinie en Peter hebben verkering (1940).

Dinie en Peter hebben verkering (1940)

De oorlog brak dus uit en alles viel weg. Hier in Groningen zat verder niemand van de GBL. Ik was alleen. Met de GBL heb ik geen contact meer gehad. Dus heb ik mij in vredesnaam maar weer tot de RSAP gewend. Die was onmiddellijk de illegaliteit ingegaan en omgedoopt tot Marx-Lenin-Luxemburg Front. Daar heb ik me direct bij aangesloten. Maar dat stelde in Groningen niet zo veel voor. De RSAP-afdeling hier was voor de oorlog al langzaam achteruit gesukkeld. Er waren nog wat NAS-mensen lid, verder was het niets meer. De vrijgestelde van het NAS in Groningen, Bouma, heeft zich samen met zijn vrouw onmiddellijk teruggetrokken op het moment dat de Duitsers binnenvielen. Hij wilde er niets meer mee te maken hebben, en zijn vrouw ook niet. Hij is een boekwinkeltje begonnen, of een leesbibliotheekje, of zoiets.

De eerste periode was alles nog een beetje duister. Er was ook nog geen verzet en zo. Behalve wij als revolutionair-socialistische beweging. Wij waren de eerste met een krant, landelijk. GBL en RSAP waren de eersten die ondergronds gingen, nog voor de CPN. De GBL ging de illegaliteit in onder de naam Bond van Communisten, de RSAP vormde zichzelf om tot MLL-Front. Het MLL-Front, ook wel Het Derde Front genoemd, knoopte — net als de Bond van Communisten — politiek aan bij de revolutionair-internationalistische traditie van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in de eerste wereldoorlog en hun propaganda voor de verbroedering van arbeiders en soldaten van alle oorlogvoerende landen in de strijd tegen de imperialistische machten in alle kampen.

Ik kreeg mijn kranten uit Leeuwarden, van Soldaat. Dat was een marktkoopman, die stond met sigaren en sigaretten op de markt. Tijdens de oorlog verkocht hij surrogaatsigaretten. Ik ben een keer bij hem thuis geweest, in het begin van de oorlog, toen was Sneevliet er ook.

De eerste kranten die we kregen — Spartacus heette dat blad — moesten we voor een dubbeltje per stuk verkopen. Dat was een beetje link natuurlijk. Maar ja, je begon pas. En we hadden ook geen cent. We hadden niks. Ik betaalde die kranten uit mijn eigen zak, dat leek me veiliger; en ik had een aantal betrouwbare adressen waar ik dat krantje heenbracht.

Dat ik die kranten kreeg, heb ik te danken aan mijn broer Herman. Als het aan Sneevliet had gelegen, was ik geweigerd als lid. Want voor hem was ik nog altijd de GBL-man. Net als zijn schoonzoon, Sal Santen — die is wel geweigerd. Hij heeft mij niet geweigerd, maar Sneevliet had mij een beetje koudgesteld. Dat hoorde ik later van Herman, toen hij in Groningen ondergedoken zat na de arrestatie van Sneevliet en de rest van de leiding van het MLL-Front.

Ik bracht ook een portie kranten hiervandaan naar Assen. Daar was een kruier bij de spoorwegen, Hartsuiker — een echte ouderwetse sociaaldemocraat; één die links was, zeg maar. Hij was met de OSP meegegaan uit de SDAP. Als ik bij het station kwam met mijn tasje met kranten en ik zag hem niet, dan liep ik direct door naar zijn huis; hij woonde achter het station. Dan ging ik achterom en legde die kranten in de schuur. Maar als hij op het station liep, dan gaf hij even een knikje, dat was het enige, naar het containertje of zo waar ik ze in kon leggen. Dan ging hij het perron weer af, naar het andere perron.

Ik kreeg bericht van het arbeidsbureau dat ik als timmerman aan het werk moest in Wenen. Vanuit Groningen ging daar een hele trein vol bouwvakkers heen. Mijn naam stond ook op die lijst, ik moest me maandagavond melden.

Ik daarheen met mijn koffertje en met mijn kist met gereedschap. Die lijsten werden nagekeken en het bleek dat er drie niet mochten vertrekken. Ik was daar één van.

Ik zeg: “Waarom is dat?”

Hij zegt: “Dat weten ze op het Scholtenshuis wel.” Daar zat de SD.

Dus ik ben naar het Scholtenshuis gegaan, dat was nog niet zo berucht als later. Ik spreek daar iemand aan, ik zeg: “Zo en zo is het geval, waarom is dat?”

Hij zegt: “Dat kunnen twee dingen zijn. Dat kan een politieke reden zijn en dat kan een criminele reden zijn. Als je een gevangenisstraf tegoed hebt, dan mag je niet vertrekken. Als het een politieke reden is, dan ben je niet betrouwbaar.”

Ik zeg: “Ik weet genoeg.” En ik ben weer weggegaan.

Ik meldde me weer op het arbeidsbureau en daar zeiden ze tegen me: “Er is maar één manier om hier aan de aandacht te ontsnappen. Dat is: naar Duitsland.”

Stakingsleider in Duitsland

Ik had gehoord dat de grote man van de CPN hier in Groningen, gemeenteraadslid Ernst Mulder, van iemand op het arbeidsbureau het advies gekregen had: “Ga nou maar wel in Duitsland werken, ook al voel je daar niets voor, want dan ben je hier in ieder geval uit het oog. Anders heb je kans, dat je hier in de kraag gevat wordt.” Ernst Mulder was trouwens vlak voor de oorlog uit de CPN geroyeerd, samen met nog twee gewestbestuurders: Jan de Jong en Bareld Postema. En op het arbeidsbureau zeiden ze dus ook tegen mij: “Als je weg kan, maak dan dat je wegkomt, en blijf dan daar.” Dat leek me niet zo’n gek advies op dat moment — ik had een bekende naam, natuurlijk. Dus ik ben ook weggegaan.

Ik kwam in Bremerhaven terecht. Daar moesten we nieuwe huizen bouwen. Ik heb daar niks anders dan funderingen meegemaakt — ik weet niet wat er op kwam. In de winter — ik viel daar koud in, want eind november ’40 ben ik weggegaan — moesten we bij de mensen thuis de kelder in. Dat waren bijna allemaal eigendomswoningen; die waren van de coöperatie ‘Konsum’. Op afbetaling konden ze die huizen krijgen. Onder al die huizen zat een kelder en al die kelders moesten voor de helft ingericht worden als schuilkelder. Dat was ons winterwerk.

Ik werd de eerste dag door wat ze noemden een Bauführer’s morgens naar het werk gebracht. De uitvoerder kwam eraan en die vent die mij afleverde riep ter begroeting: “Heil Hitler!”

Maar de uitvoerder, Georg — zijn achternaam weet ik niet meer — zegt: “Moi.” En hij geeft me een hand. Daaraan merkte ik onmiddellijk dat hij goed was: de meeste anderen sprongen meteen in de houding en riepen “Heil Hitler” — ook al meenden ze het niet. Maar hij kon dat niet opbrengen. Ik denk: dat is een goeie zaak.

Dus ik aan het werk, ik begon te timmeren en we hadden al gauw schaft. Ze hebben daar op bijna alle bouwplaatsen een keetjongen, dat is meestal een oudere, die er voor zorgt dat de keten schoon blijven; en hij heeft een grote kist staan met sigaretten en flessen bier en melk voor de verkoop tijdens de schaft. Die keetjongen begon direct, in de eerste schaft al: “Der Führer hat gesagt: die Juden haben Schuld.”

Ik zeg: “Du hast ja keine Ahnung”, direct zat ik er bovenop. Ik begon met hem te discussiëren en ik werd een beetje heftig. Ik dacht ‘godverdomme, hebben we dat gezeik hier ook al.’ Maar bij geen één van die Duitsers kreeg hij een voet aan de grond. Geen één.

Eén zegt: “Ach, ich kümmer mich nicht um Politik.”

Een ander zegt: “Ich bin kein Judenfeind.” Hij kreeg niemand die hem steunde. En hij maakte nog een enorme flater: hij had het over Polen — dat grensde aan het Schwarze Meer, zei hij.

Ik zeg: “Du hast überhaupt keine Ahnung. Daar zit nog zoveel land tussen.” Nou, toen was hij weg.

Grenzend aan waar wij schaftten, in die keet, was het hokje van de uitvoerder. Ik kwam uit de keet na de schaft, Georg kwam achter me aan — hij had alles gehoord — hij stompt me vriendschappelijk in mijn rug en zegt: “Wat maak je je nou dik om zo’n domme ouwe sukkel. Er hat ja keine Ahnung.”

Ik zeg: “Ja, aber immerzu ‘die Juden sind Schuld’.”

“Ach, ich weiss, ich weiss...” Dus toen hadden we direct al goed contact.

Op donderdag kwamen de loonlijsten; ’s avonds aten we in een soort goedkoop arbeiderseethuis, en één van de jongens zegt: “Ik heb te weinig.”

Ik zeg: “Wat is er mis? Laat ’s kijken.” Ik bekijk het en ik zeg: “Nou, ik wil wel even vragen.” De volgende dag ging ik naar Georg, ik zeg: “Moet je luisteren, ich glaube nicht, daß es stimmt.”

“Moment,” zegt hij, en hij sloeg zijn grote boek open. “Nee, das stimmt nicht.”

Ik zeg: “Wat mankeert eraan?”

Hij zegt: “Dat en dat en dat.”

Dus ik naar het loonbureau — daar zaten alleen maar vrouwen, want die kerels zaten allemaal al in dienst. Ik zeg tegen zo’n vrouw: “Zo en zo is het geval.”

Ze zegt: “Ja, das stimmt. Aber woher wissen Sie das so genau?”

Ik zeg: “Ich kann doch auch rechnen. Und die Deutsche Sprache hab’ ich noch nicht verlernt, ich hab’ meine Jugend in Deutschland verbracht.”

“Ja, aber unsere Gesetze...”

“Das steht doch alles geschrieben, jeder kann doch lesen.” “Aber wie wissen Sie das so genau?”

“Weil ich’s gelesen habe.” Ik kon toch niet zeggen dat Georg me geholpen had. Maar toen het eenmaal bekend was dat ik naar kantoor was gegaan om te klagen, kwamen meer van die knapen met hun loonbriefjes. Ja, verdomme, dat was in de oorlog dus je moest oppassen wat je deed. En ik wilde Georg niet overvoeren, want ik was veel te blij dat ik een ingang had bij hem. Dus hield ik de mensen een beetje af. Maar ik ging toch regelmatig met van die loonstrookjes daar naar kantoor. Ik had het altijd bij het rechte eind, want ik controleerde dat natuurlijk goed van te voren.

Met de kerstdagen zou ik naar huis gaan. Vlak daarvoor waren we een week lang op een andere Baustelle. Dat was een grote bunker. Daar werkten ook vier jongens hier uit de provincie Groningen, vier van die landarbeiders, die stonden in de Kies. Hier in Nederland hebben ze zand en grind apart, maar in Duitsland niet, daar zit het door elkaar. Kies noemen ze dat. Ze schepten lorries vol met Kies; twee lorries vol gingen in een bak cement. Donderdagochtend kwamen ze met de loonlijsten: “Verdomme, alweer te weinig geld!”

Ik zeg: “Wat is er dan mis.”

“Nou, zo en zo. Vier pfennig te weinig in het uur.” Ze werden als ongeschoold beschouwd, maar een grondwerker had een scholing, die kreeg vier pfennig meer. Grondwerkers, dat beroep bestaat niet meer, maar dat waren geschoolde arbeiders; die moesten bijvoorbeeld een talud kunnen maken. Ze hadden ook niet maar één schop, ze hadden verschillende soorten schoppen.

Maar goed, ik zeg tegen die jongens: “Weet je wat je doet, je gaat er maar bij zitten. Wanneer die vent komt, dan wijs je maar op mij. Dan zeg je maar: ‘Dolmetscher. Kann nicht verstehen, Dolmetscher’.”

Dat deden ze. “Nicht verstehen. Dolmetscher.” Dus kwam die man naar mij.

Ik zeg: “Leider, sie verdienen zu wenig.”

“Ja, ich bring das in Ordnung.”

Ik zeg: “Ja, das sagt die Firma jetzt schon seit acht Wochen.”

Hij ging naar boven, naar die Duitsers, en zegt tegen die arbeiders: “Doen jullie dat even.” Maar niemand van die Duitsers nam dat werk over. En dat was in de oorlog. Prachtig, hè. Die jongens bleven rustig zitten, en die vent stond maar te tieren, want het was de laatste dag dat we aan het betonstorten waren. ’s Avonds om een uur of acht zouden we klaar zijn. Maar dat lukte dus niet.

Tegen twaalven kwam diezelfde kerel er weer aan, met zijn grote hakenkruisspeld op de borst. Ik zeg: “Ja, die Leute haben schon acht Wochen gewartet. Und der Führer hat gesagt: ‘Jeder kämpft für seine Rechte,’ also machen sie das auch. Und weil es meine Landsleute sind, glaube ich, daß ich ihnen helfen muß.” Maar ja, ik stond natuurlijk te trillen op mijn benen. Ik zeg tegen die jongens: “Zodra jullie je centen hebben direct weer aan het werk, anders wordt het helemaal link.” Dus die jongens beurden hun centen en ze gingen weer aan het werk. We werkten door maar waren ’s avonds niet klaar, dus moest de nachtploeg toch nog een keer op.

Maar eerst kwam de leiding vragen of wij door wilden werken. Die Duitsers gaven allemaal totaal geen sjoege, die liepen één voor één allemaal weg. Eén van die Duitsers tikt mij op de rug en zegt: “Verschwinde. Achter de anderen aan, verschwinde.” Kijk, dat was al een gevoel van sympathie, dat hij mij — als buitenlander — zo even op de schouders tikte. Ik ben naar Groningen gegaan, het was vlak voor de kerstdagen.

Drie weken ben ik thuis geweest, maar ja, toen moest ik er wel weer heen. Ik had me ziek gemeld bij een dokter. Hij zegt: “Je kunt zo lang ziek blijven als je wilt maar je moet me niet meer roepen, want ik heb geen tijd, ik heb het veel te druk. Als je weer beter bent dan zeg je het maar.” Ja, zo was dat, ze waren allemaal heel soepel als ze tenminste geen nazi waren. Maar we hadden geen centen meer dus ik moest weer aan het werk. Half januari ben ik naar Duitsland gegaan; ik kwam op de Baustelle en Georg kwam op me af: de Gestapo was op het werk geweest voor mij.

Georg zegt: “Wo bist du gewesen?”

Ik zeg: “Zu Hause.”

“Hier dachten sie schon du wärest im Konzert-Lager” — ze zeiden niet concentratiekamp maar, spottend, Konzert-Lager.

“Nee, ich war zu Hause. Ich hab’ mich krank gemeldet, aber ich war nicht krank.” Nou bleek dat ze aan het zoeken geweest waren naar een Drenth, maar er werkten twee Drenthen hier uit Groningen bij die firma; en de leeftijd van degene die ze zochten klopte niet met die van mij en niet met die van die andere. Dus ze waren nog aan het zoeken. Georg had over mij tegen die mannen van de Gestapo gezegd: “Dat kan hij niet zijn. Want die Hollanders en die Belgen en die Polakken die hier allemaal zijn, die houdt hij allemaal aan het werk. Hij regelt dat allemaal veel beter dan ik dat doe, dus die man kan nooit een Feind von uns sein.”

Op een avond stond ik op de tram te wachten, want ik ging altijd met de tram naar het werk, en Georg kwam eraan met zijn fiets aan de hand: “So Peter, zullen we eens wat gaan drinken?”

“Ja, maar als de tram weggaat.”

“Ach, es kommt später noch eine.” Dus wij met zijn beiden een kroegje in aan de overkant, en daar begon hij te vertellen: hij was lid van de KPD geweest, ook in die jaren onder het Hitlerbewind in de illegaliteit. Tot het Stalin-Hitlerpact gesloten werd. “Das taugt doch nichts?” zegt hij. “Ich mach’ das nicht weiter mit.” Toen had hij bedankt voor de Communistische Partij.

Maar ja, we zaten daar, en we zaten daar, en de laatste tram ging weg en we zaten er nog. ’s Avonds twaalf uur en allebei waren we een klein beetje boven ons theewater. Hij zegt: “Ach, du gehst einfach mit mir nach Hause.” Dus ik ben bij hem achterop z’n fiets gaan zitten en met zijn beiden zijn we naar zijn huis gekeuteld. Ik heb daar ’s nachts op de bank geslapen, bij hem in de kamer. Op dat moment waren we direct dikke vrienden. Dat ging hartstikke goed.

Georg was een keer weg, een paar dagen vrij, en daarom kregen we tijdelijk een andere uitvoerder. Dat is ook zo’n mooie geschiedenis. Die vent was tijdelijk met verlof van het front, en die werd ingezet als uitvoerder zolang Georg weg was. Maar die zat de hele dag te zuipen in de keet. En ’s zaterdags — we moesten op zaterdag ook tot zes uur werken — was hij met één van die Hollanders, zo’n jonge knuppel hier uit Haren, aan de zuip gegaan. Om twaalf uur kwam hij dronken het werk op: ‘Weg! Alles weg! Ich wilt hier keinen Mensch mehr sehen!” Dus alle jongens waren gelijk als de donder weg.

Maar de volgende week werd dat wel van ons loon afgetrokken. Ik naar Georg, ik zeg: “Nee, wir sind nicht weggegangen, wir wurden weggeschickt, wir durften nicht mehr arbeiten. Der Baumann, der Polier, der war besoffen, hat uns weggeschickt, er sagte ‘Weg! weg!’”

Hij zegt: “Hat er das getan?”

Ik zeg: “Ja.”

“Ha!,” zegt hij, “Dann hab’ ich ihn.” Hij vond het prachtig: “Da’s een partijman. Ik meld het sofort.”

Ik zeg: “Wir wollen unser Geld haben.”

“Das kommt schon,” zegt hij, “ér wird zahlen.” En wij kregen ons geld.

De zaterdag daarop, toen Georg ons geld uitbetaalde, zegt hij: “Er ist schon wieder zur Front.” Hij had de grootste lol.

23 maart 1941 kwam de Gestapo weer op het werk. Georg kwam met de beide heren bij me, ik was in een kelder bezig. Hij zegt: “Na, Peter, zwei Herren von der Gestapo. Darfst hier nicht mehr arbeiten.”

Ik zeg: “Ik kan nou toch niet weg, ik moet mijn werk afmaken.” Ze zeiden geen woord, ze keken alleen maar. Dus ik pakte mijn gereedschap bij mekaar, in mijn kistje, maar ze draaiden zich om en gingen weg. Georg liep eerst met ze mee, bracht ze weer naar de straat. Hij kwam terug, ik zeg: “Wat moet ik nou?”

Hij zegt: “Je moet je morgenvroeg melden op het Polizei-revier.” Ik zeg: “Dat is nou toch ook wat. Waarom?”

Hij zegt: “Sie haben sich in Holland informiert, und du bist Kommunist.” Hij liep met me mee. Ik had mijn kistje ingepakt en ik trok mijn jas aan. Ik stond al midden op straat, en hij zegt: “Kom nou morgenvroeg eerst even hier op het werk, want ik heb een kennis op het politiebureau en ik zal vanavond kijken wat ik doen kan.”

Dus de volgende ochtend ben ik gewoon met de jongens naar het werk gegaan, ik moest altijd om zes uur de deur uit, ik kom op het werk en Georg zegt: “Je moet je melden op kamer 17.”

Dus ik weer weg. Naar het Polizei-revier, naar kamer 17, en ik klop aan. “Herein!”

“Ich bin der Holländer und ich komme mich melden”

Hij zegt: “Bist du der Verbrecher?”

Ik zeg: “Ich bin doch kein Verbrecher.”

“Doch, du bist ein Kommunist. Biste verheiratet?”

“Jawohl.”

“Haste ’n junges Weib?”

“Jawohl.”

“Mensch, hau dann ab, sonst fickt ein andrer deine Frau!” “Kann ich gehen?”

“Jawohl.” Hij pakte mijn pas, zette er een stempel in. “Innerhalb 24 Stunden über die Grenze, sonst passiert was!”

Ik zeg: “Danke,” en ik pak mijn jas. Dat had Georg voor me geregeld. De meerderheid van de bevolking in alle havensteden was tegen Hitler; de sociaaldemocratische politiebond was vrij sterk voordat Hitler aan de macht kwam. Die mensen waren natuurlijk aan het werk gebleven. Dus Georg had dat met een goede agent geregeld. Die man zei het alleen nogal grof. Ik als de donder naar mijn kosthuis — we zaten daar particulier in een kosthuis. Ik heb mijn voedselbonnen aan die juffrouw, die hospita gegeven en ik ben snel naar het station gegaan. Ik moest eerst met de boot over de Weser, en aan de andere kant moest ik in Bleksen een treintje nemen naar Oldenburg. In Oldenburg moest ik wachten, daar moest ik overstappen op een trein die niet verder ging dan Leer. Om twaalf uur ’s avonds zat ik daar nog, in Leer. Ik denk: nou is mijn visum verlopen, want de dag is voorbij. Het hele perron was verlaten. Ik zat er alleen, met mijn kistje en mijn koffertje. Dan voel je je hartstikke lullig natuurlijk. En het is niet te geloven: om een uur of één, half twee komt er een trein aan — dat was een lawaai en een zingen. Dat waren verlofgangers, allemaal half bezopen, die gingen weer terug naar het front. Die trein, die had nog van die ouwe coupés met aan beide kanten een deur. Ik klopte op één van die ramen, ik zeg: “Kann ich mitfahren?”

“Was willste denn?”

“Ich hab’ Urlaub.”

“Urlaub geht über Alles! Komm.” Ik pakte mijn kistje en mijn koffertje en die gaf ik aan. Eén van die kerels pakte me bij mijn jas en trok me naar binnen. Ik kwam er midden tussenin te zitten — het was hartstikke vol. Ze begonnen te blèren en ik denk: ik zing maar mee. Die trein reed richting front via Groningen, dus ik hoefde ook helemaal niet meer over te stappen; ik ging in één keer door tot Groningen. Om tien over drie was ik thuis. Dat was echt een avontuur.

De volgende dag moest ik me melden op het arbeidsbureau. Ik moest mijn stamkaart en alles inleveren. En ik had een brief voor het arbeidsbureau in Groningen meegekregen van het Arbeitsamt in Duitsland. Ik kreeg van het arbeidsbureau te horen, dat in die brief stond dat ik was uitgewezen omdat ik in het spergebied werkte — en ik mocht dus niet meer terug naar Duitsland. Want het spergebied daar mocht je alleen heen met een speciale vergunning van de Duitsers, en de hele kuststrook was spergebied. Maar ik kreeg geen werk, ik kreeg geen uitkering en ik kreeg mijn bonkaart niet terug. Nou, daar stond ik. Met niks. Ik denk: dit kan natuurlijk niet. Dus ik ben er de dag daarna weer naar toe gegaan. Ik werd te woord gestaan door een jonge knul — die kende ik goed, die zat in het muziekkorps Ons Ideaal, dat was een geheelonthoudersmuziekkorps; in ieder geval een stuk van de arbeidersbeweging, zeg maar. Ik zeg: “Geef me alsjeblieft mijn stamkaart terug. Jij kan hoogstens een standje krijgen, maar ik heb geen vreten thuis.” Eerst was hij wat angstig, maakte hij wat bezwaar, want op elk arbeidsbureau zat ook één NSB-ambtenaar. Maar hij ging overstag en gaf me die stamkaart. Ik snel weg. Ik had mijn stamkaart weer, dus kon ik naar het distributiekantoor gaan en kreeg ik mijn bonnen.

Onderduikers

Aan het eind van het blok waar wij woonden, aan de Driemolendrift, woonde een joods echtpaar, en die mensen werden opgehaald. Dat gebeurde na acht uur ’s avonds. Iedereen moest vanaf acht uur thuis zijn. Spertijd. Die man was ziek, en die vrouw stond in de deur te jammeren: “Mijn man is zo ziek en heeft misschien nog maar een paar dagen. Laat hem in godsnaam in vrede sterven.”

“Niks daarvan.”

Aan de overkant was een timmermanszaak, daar stond een handkar voor de deur. Die handkar werd gepakt en die man werd erop gelegd. Daar ging hij op de handkar, met de vrouw lopend ernaast. Zo gingen ze weg. Ik zeg tegen mijn vrouw: “Ieder die bij de deur komt is welkom. Want zoiets, dat kan niet.”

Dat was vrij in het begin, dat was denk ik in ’41 — Dinie en ik zijn 31 oktober 1940 getrouwd, en een week later moest ik al weg naar Duitsland, naar Bremerhaven. Afijn, dat werk in Bremerhaven liep dus mis, vier maanden heeft het geduurd. En toen gebeurde dat met die joden, dat was in de loop van ’41; in ieder geval was het ’s avonds al weer langer licht.

Ik heb een aantal joden in huis gehad. De eerste die was heel druk. Dat was een man, met z’n dochtertje, die had een kamer bij ons; en dat liep een beetje moeilijk. We woonden twee hoog daar, midden in de stad, aan de Driemolendrift. Die man stond altijd in de erker; we hadden zo’n erker, en daar stond hij de hele dag naar buiten te kijken. Je kon honderd maal zeggen dat hij dat niet moest doen, hij deed het toch; en hij drentelde maar, dat was net als een gevangen tijger. Ik kan me dat wel voorstellen, natuurlijk, want je zit daar. Maar het is niet zo slim. Beneden mij woonde een Schalkhaarder politieman — naar nationaalsocialistische snit opgeleid aan de op bevel van de Duitsers opgerichte politieschool in Schalkhaar — dus dat was wel een beetje glibberig. De buren zagen die onderduiker natuurlijk in de erker staan, er werd al gauw gepraat: als Drenth aan het werk is, dan loopt er een andere man in huis. Dus dat liep stuk.

Dat was een beetje een louche straatje, de Driemolendrift, maar er waren net nieuwe woningen gebouwd en daar kregen mijn vrouw en ik er één van aangeboden — dat aanvaardden wij graag natuurlijk.

Op het hoekje was een kroeg, daar woonde een NSB’er, een hele bekende NSB’er. De Prevel noemden ze die vent, want die zat de hele dag te ouwehoeren. En even verder woonde een snolletje, het was écht binnenstad daar, en die kreeg verkering met een Duitse Feldwebel en werd abonnee op De Zwarte Soldaat. Ook woonde er nog zo’n wijf daar, prachtig, haar man werkte in Duitsland, en zij kreeg elke avond matrozen en soldaten op visite. Dat waren soms grote feesten. Hele drinkgelagen daar bij haar thuis. Eén keer — ik ging ’s ochtends de deur uit naar het werk — was de hele voorruit eruit gediggeld. Asbakken op straat, en glazen, en de wijnflessen die lagen overal, dus dat was weer groot feest geweest. Op een avond kwamen ze bij haar voorrijden. In die tijd reed men in gewone auto’s waar een pony voor liep, want er was geen benzine. Gewoon een open auto met een paard ervoor, die stopte daar en een paar soldaten belden bij haar aan. Ze stribbelde eerst wat tegen, maar ze pakten haar zo op en gaven haar door aan die jongens die al in die auto zaten. D’r bovenop. Nou, daar werd dus een beetje gegraaid en alle buren die stonden voor de ramen te kijken, want je mocht niet naar buiten na acht uur.

Maar daar had ik dus die joodse man met zijn dochtertje in huis. Ik kreeg een seintje van de overbuurman. Dat was een kolensjouwer, een ouwe NAS-man; dat was nog echt een goeie. Die kwam bij mij, hij zegt: “Het gaat me niks aan hoor, en ze lullen zoveel hier in de straat, maar ze zeggen dat als jij aan het werk bent dat er dan altijd een kerel bij jou in huis is. Die zien ze staan. Er zijn er ook een paar die zeiden ‘Het zal wel een jood zijn’.” En dan wordt het link natuurlijk. Hij zegt: “Ik bemoei me er verder niet mee, ik wil alleen even vertellen wat er in de buurt gezegd wordt.” Nou, ik wist genoeg.

Dus ik ben naar Homme Poort gegaan. Dat was een aardige, homofiele man. Hij was goed bevriend met Herman de Vries, een vioolbouwer; broer van de dichter Hendrik de Vries. Herman de Vries kwam veel bij Homme over de vloer, ik neem aan dat ze een relatie hadden, maar daar praatte je in die tijd niet over. Homme was leraar Duits, en een zeer vrome christen moet ik zeggen, pacifist in hart en nieren. Hij woonde aan de Kromme Elleboog, en overal in huis, waar je maar keek, zaten mensen. In de slaapkamer, de woonkamer, het kantoortje, de keuken, het halletje — hij had op een gegeven moment zeventien onderduikers. Ik zeg: “Dat kan toch niet.”

“Ja, we hebben geen adressen.” Homme is aan het eind van de oorlog gepakt, maar hij is gelukkig wel weer teruggekomen.

Goed, ik ging dus naar Homme omdat er gepraat werd bij mij in de straat. Ik zeg: “Zo en zo is het geval.” Homme Poort heeft gezorgd voor een ander adres. Dat was bij de vrouw van een communist die opgepakt was. Die had zo’n benedenhuisje in de Riouwstraat. En hij ging er naar toe, en hij zat er een paar weken — veilig en wel leek het. Tot er op een ochtend wordt aangebeld. Zij loopt de gang in naar de deur — en die huisjes hadden van die kleine raampjes in de voordeur, daardoor ziet ze opeens Duitse uniformen. Ze begint gelijk te beven en ze bedenkt zich niet, ze loopt zo de achterdeur uit, springt over het hekje en is weg. Die man laat ze daar zitten, zonder te waarschuwen. Dus hij weet nergens van, hij zit daar rustig in de kamer — zijn dochtertje was ergens anders ondergedoken, bij een onderwijzer. Ze schieten het slot kapot en hij schrikt overeind, maar hij kon geen kant op. Dat was slechte boel, die vent is opgepakt, en hij is ook niet weer teruggekomen.

Ik zou nog een keer zijn vrouw ophalen, die was ondergedoken in Amsterdam-Oost. Bij een oud-OSP’er die volgens mij inmiddels lid van de CPN was geworden. Die man had een baantje bij de arbeidsdienst, als administrateur. Ik zeg: “Man, hoe kan je dat nou doen!”

Hij zegt: “Je kunt er jatten zoveel als je wil.” De luiken gaan open: allemaal vetlederen schoenen, en blikken met vlees.

Afijn, ik kwam daar, en het bleek dat die vrouw — ze heette Lea, het was een grote blonde vrouw, leek helemaal niet op een jodin, Grote Lea — een vriendin had, dat was Kleine Lea, dat was echt een joods typje, en die was heel angstig. Grote Lea zegt tegen mij: “Ik ga niet met je mee, want ik ga niet zonder mijn vriendin.”

Ik zeg: “Moet je eens luisteren. Ik heb een woning met twee slaapkamers. In de ene slaapkamer slapen mijn vrouw en ik; jij en je man en je dochtertje in de andere slaapkamer. Daar kan niemand meer bij. Echt niet.” Nou, geredeneerd, en de man bij wie ze ondergedoken zat zegt: “Weet je wat, ik charter één van die Lemmerboten” — dat waren van die lijndiensten nog, van Amsterdam via Lemmer kwamen ze door het Van Starkenborgh naar Groningen. Hij zegt: “Die moet voor mij wat ophalen in Groningen en die neemt die beide vrouwen mee. Als jij ze dan opwacht.” Nou, alles afgesproken en op een bepaald moment kreeg ik bericht: ’s morgens om tien uur zouden ze aankomen via het Van Starkenborghkanaal, tussen de spoorbrug en de brug bij de Bedumerweg. Maar ja, ik denk: tien uur, stel je voor dat ze eerder zijn. Dus ik ’s morgens om acht uur de deur uit — ik ging die dag niet naar het werk — naar het kanaal. Ik ben daar de hele dag gebleven, ’s avonds om zes uur waren ze er nog niet. En ik had geen eten of drinken gehad, helemaal niets, dus ik denk: laat ik nou maar eens naar huis gaan. Ik kom thuis, zit er een jonge vrouw bij ons in de kamer, ze zegt: “Net de dag voor ze weggingen hebben ze een overval gehad, want hij werd verdacht van diefstal, en bij hem in huis vonden ze ook die beide joodse vrouwen.” Alle drie naar het kamp. Grote Lea, die was verpleegster, heeft tot het laatste transport in Westerbork gezeten. Met het laatste transport is ze weggegaan. Niet teruggekomen.

Toen heb ik een andere joodse vrouw in huis gehad, een oudere vrouw, ze zal een jaar of vijftig zijn geweest. Mevrouw Israëls, een kostuumnaaister. Die was muisstil, als wij niet thuis waren ging ze niet eens naar het toilet. Daar heeft ook niemand iets van gemerkt. Ze is een hele tijd bij ons geweest, tot mijn vrouw in verwachting was van de tweede, de oudste jongen dus — die heet ook Peter, hij is geboren op 24 maart 1943. Ik ben naar Poort gegaan, ik zeg: “We moeten voor Israëls een ander adres hebben, want zo en zo is het geval.” Zij is huishoudster geworden bij een professor in Helpman. Haar ster ging af en ze kreeg valse papieren. Die is de oorlog goed doorgekomen. Dat ging prima.

Het Comité van Revolutionaire Marxisten

Mijn broer Herman is begin 1942 naar Groningen gekomen, direct nadat het grootste deel van de leiding van het MLL-Front, waaronder Sneevliet, was opgepakt. Op 13 april zijn ze doodgeschoten: Henk Sneevliet, Ab Menist, Willem Dolleman, Jan Edel, Cor Gerritsen, Jan Koeslag, Jan Schriefer en Rein Witteveen. Maar niet alleen die acht leiders van het MLL-Front werden opgepakt en later vermoord. Ook andere leden zijn de oorlog niet goed doorgekomen. Zoals Theo van Driesten, dat was een RSAP’er, die zat in de landelijke leiding van de Revolutionaire Jeugd Bond. Theo was een troetelkindje van Sneevliet, maar in de oorlog durfde hij niet meer. Dat hij werd gearresteerd was domme pech: hij kwam voor zakelijk drukwerk bij een drukker die voor de oorlog voor de RSAP en het NAS had gewerkt. Net op het moment dat Theo er was deed de SD daar een inval omdat ze vermoedden dat de drukker werk verrichtte voor het MLL-Front. Ze vonden het verdacht Theo van Driesten daar aan te treffen en namen hem mee. Hij is overleden in het kamp Amersfoort. En Aaldert IJmkers uit Den Haag, een revolutionair-socialist van de oude garde, die heeft de oorlog ook niet overleefd. Hij is gearresteerd en op 16 oktober 1942 op de Leusder Heide gefusilleerd als represailleoffer voor gepleegde sabotage. Zijn zoon is later lid van de CPN geworden. Ook Johannes Roebers is op 16 oktober ’42 op de Leusder Heide gefusilleerd. Roebers kwam uit Deventer, daar hadden we een grote afdeling en een gemeenteraadsfractie van de RSAP van vier mensen. Er zat een vrij sterke NAS-club daar, ze hebben in Deventer een hele revolutionaire traditie. Ik meen dat Roebers vrijgestelde was van de vakbeweging; maar hij zat ook voor de RSAP in de gemeenteraad van Deventer en in de Provinciale Staten van Overijssel. Ja, die zijn ook allemaal vermoord in de oorlog.

Maar in ieder geval: Herman moest onderduiken en die kwam hier. Hij heeft eerst twee dagen bij mij thuis gezeten. Daarna was er een adres voor hem bij een groenteman in de Nieuwe Kijk in’t Jatstraat. Daar is hij ondergedoken.

In zijn huis in Den Haag zat een bekende, een oud-AJC’er — Rein van der Horst. Dat was niet doorgegeven aan de burgerlijke stand. De afspraak was: als ze op zoek gingen naar Herman, dan zou Rein van der Horst dat doorgeven naar Groningen. Maar na ongeveer twee jaar was er nog steeds niemand aan de deur geweest op Hermans adres in Den Haag, dus hij kreeg een steeds veiliger gevoel en hij wilde wel weer bovengronds. Ook vanwege Aafke, zijn vrouw. Aafke was bij mijn ouders in de kost, met hun oudste zoontje, maar dat accordeerde niet. Want mijn moeder meende dat ze meer verstand van de opvoeding had dan Aafke, en er was dus een conflict om het kind tussen die beide vrouwen. Aafke zei: “Het is mijn kind en ik bepaal wat er mee gebeurt.”

En mijn moeder zei: “Jij weet nergens van.” Het is ook nooit meer helemaal goed gekomen tussen die twee.

Mijn zus woonde in de Professor Rankestraat, en tegenover haar woonde de latere directeur van museum Boymans. Zijn moeder zat in de armoede want haar man was weggelopen, en zij verhuurde daarom de kamers van de bovenverdieping. Daar is Herman met zijn vrouw komen wonen. Ik denk eind ’43 kwam mijn schoonmoeder te overlijden, en mijn schoonvader ging daarop bij zijn dochter inwonen. Dus het huis waar mijn schoonouders woonden kwam leeg, en daar zijn Herman en Aafke ingetrokken. Dat huis stond in de Oosterparkwijk.

Maar afijn, Herman kwam dus naar Groningen en toen begon het politiek-organisatorische werk allemaal weer te draaien. Ik was natuurlijk wel bezig op mijn werk en zo, maar verder was dat wat ingezakt. Herman was hier echt het centrale punt, hij zat ook in de landelijke leiding van het CRM, één van beide opvolgers van het MLL-Front — de andere heette Spartacus. Herman had altijd stapels kranten onder zijn bed liggen.

Het CRM bestond voornamelijk uit leden van het MLL-Front die tegen de politiek van Sneevliet met betrekking tot de Sovjet-Unie in oppositie waren gekomen, en uit enkele leden van de vooroorlogse GBL. Van juli 1944 tot januari 1945 maakte ook de onafhankelijke groep rond Barend Luteraan in Amsterdam deel uit van het CRM.

Herman had trouwens een erg goede dekmantel. Toen hij nog ondergedoken was, maar zich al wel veilig voelde en eigenlijk wel weer aan het werk wilde, kwam ik op straat een keer toevallig een oude bekende tegen — Gerrit Flik. Die vertelde dat hij kapper was bij de Wehrmacht, aan de Engelse Kamp, en dat hij op zoek was naar een hulpje. En Herman was ook kapper. Dus ik zeg tegen Gerrit: “Ik weet wel iemand, maar dat is een onderduiker.”

“Geen enkel probleem,” zegt hij. “Ik neem hem mee naar de Engelse Kamp en dan krijgt hij een mooi formulier met een groot hakenkruisstempel, daarmee mag hij zelfs onder spertijd op straat.” En dat is gelukt. Dat kwam Herman ook goed van pas als hij één keer in de zoveel weken met de trein naar Rotterdam ging, om te vergaderen met de landelijke leiding van het CRM. Die vergaderingen waren bij Van ’t Hart thuis. Als Herman terugkwam had hij altijd een tas vol kranten voor zijn buik gebonden, die tas was gemaakt door zijn vrouw. Als er controle kwam hoefde hij alleen maar met dat papier met dat grote hakenkruisstempel te zwaaien, en hij werd verder niet lastiggevallen. In die tijd reden de treinen natuurlijk niet zo goed als nu, dus vaak kwam hij pas op maandag weer terug in Groningen. Dan kwam hij veel te laat op zijn werk, in de loop van de middag. Maar die kapper heeft daar nooit iets van gezegd, behalve: “Wat ik niet weet kan ik ook niet doorvertellen.” Dat was een hele verstandige houding in die jaren.

Ik ben heel wat met Herman aan de sjouw geweest in die tijd. Herman had een contact in Delfzijl, een havenarbeider uit Amsterdam, die kwam naar Delfzijl om te werken. Dat was een goed steunpunt daar.

Herman en ik zijn ook een keer naar Emmen gefietst met z’n beiden — god, wat was dat een end. En dan op één dag heen en weer terug. In Emmen hadden we er ook één zitten, die vent was smokkelaar.

Eén keer ben ik alleen op pad geweest naar Tweede Exloërmond. Daar woonde een lid, een aardige vent, daar had ik het contact mee verloren en dat contact wilde ik weer herstellen. Ik op een zondag daarheen op de fiets. Voor had ik nog een luchtband, maar achter — dat was in de oorlog zo rot — had ik een harde band. Ik ging via Hoogezand-Sappemeer en Stadskanaal. En verdomme: ik kreeg een lekke band onderweg, net middenin Stadskanaal. Daar was een fietsenmaker maar die man was gereformeerd. Godverdomme. Op zondag. Daar zat ik met mijn tasje met kranten. Dus ik bedacht wat, ik zeg tegen hem: “Bent u een Nederlander?”

“Ja,” zei hij.

Ik zeg: “Mag ik dan hier, omdat ik noodzakelijk op stap ben, mijn fiets repareren. Als je weet waar ik mee onderweg ben, dan help je me.”

Hij keek me even aan, hij zegt: “Kom maar achterom. Daar is solutie, daar liggen lappen, daar is een fietspomp, daar is water. Je kunt het zelf wel doen.” Hij ging weg. Ik moest het zelf doen, want hij was gereformeerd.

Ik heb mijn band geplakt en ik ging naar hem terug. Ik zeg: “Wat kost dat?”

Hij zegt: “Op zondag mag je niet handelen. Maar als je een dubbeltje op de toonbank legt dan pak ik dat morgen wel.” Volkomen belachelijk natuurlijk. Afijn, ik heb daar op die werkbank een dubbeltje neergelegd en ik kon weer verder.

Ik ben doorgereden en ik kwam bij die jongen aan de deur — hij woonde aan de Tweede Exloërmond; maar dat is gemeente Odoorn, vandaar dat ik over Stadskanaal ging — ik kom daar bij de deur en zijn pa doet de deur open. Ik zeg: “Ik kom om je zoon.”

Hij zegt: “Die hebben ze drie dagen geleden doodgebombardeerd in Duitsland.” Bams! Hij klapte de deur weer voor mijn neus dicht en daar stond ik. Moest ik met mijn krantjes en de hele ellende dus weer terug naar Groningen. Lullig, maar dat soort dingen gebeurde ook. Dat risico had je, dat de deur voor je neus dichtgeklapt wordt